Huis V.


Het was de laatste dag van het seizoen dat het kasteel nog open was. En ik had geluk, de oktoberzon gaf nog genoeg warmte om achter het gebouw op het terras te kunnen zitten. Jas aan en das om weliswaar, maar toch. Nog een uur, dan zou ze wegzinken achter het zwaar geboomte dat de gracht omzoomde. Dan ook zou de herfstkou opstijgen uit het water en werd het zaak om te verkassen.

Lees “Huis V.” verder

Knippen en plakken

Het stationnetje waar ik als enige passagier uit de trein stapte, lag geheel verlaten tussen de weilanden. Dat dacht ik tenminste. Maar toen ik het perron afliep zag ik een man die met een ouderwets meetlint bezig was de omtrekken van het stationsgebouwtje op te nemen. Op de grond lagen vellen papier waarop hij tegen het wegwaaien keien had gelegd. Toen hij me hoorde aankomen kwam hij overeind uit zijn gebukte houding en schoof zijn leesbril op zijn voorhoofd. Met zijn overhemd halfopen en een fors uitgevallen zilveren kruis aan dito ketting tussen zijn grijze borsthaar leek hij de opzichter van een sloopploeg. Ik was al bang dat ik getuige was van wat in jargon ‘voorbereidende werkzaamheden tot afbraak’ wordt genoemd, maar dat viel mee.

Lees “Knippen en plakken” verder

Ma (3, slot)

We leven in een overbevolkt land. In het verzorgingstehuis waar mijn moeder een eigen appartement bewoonde, was dat goed te merken. Nog voor ze haar laatste adem had uitgeblazen stond de volgende huurder bij wijze van spreken al met zijn spullen voor de deur. Na het condoleren had de directrice van de instelling me even apart genomen: of we er rekening mee wilden houden dat het appartement binnen een week leeg moest zijn. Tijd om te rouwen was er niet, we moesten meteen aan de slag.

Lees “Ma (3, slot)” verder

Ma (2)

‘Ik ga weg’, had mijn moeder gezegd. Ze hield niet van half werk en was met deze boodschap iedereen in het verzorgingstehuis afgegaan. Haar medebewoners hadden het er benauwd van gekregen. Maar ma hield woord. Zesennegentig jaar en acht maanden werd ze. De laatste dag van haar leven bracht ze achteroverliggend in de kussens door. Ik zat naast haar aan het bed.

‘Als ik gecremeerd word, jongen, dan wil ik er geen poespas omheen, want daar houd ik niet van.’

Lees “Ma (2)” verder

Ma

Ik zit naast het bed van mijn moeder. Ze hangt achterover in de kussens en haar mond staat wagenwijd open. Haar ademhaling gaat met horten en stoten en haar vingers verfrommelen het ene papieren zakdoekje na het andere.

Toen ik vanochtend de activiteitenruimte binnenliep om mijn moeder te begroeten zat ze niet op haar vaste plek naast de sjoelbak, want dinsdag is sjoeldag. De andere dames keken me treurig aan. Mijn moeder was in haar appartement, zeiden ze, want het gaat niet goed met haar.

Lees “Ma” verder

Kersen

Zaterdagmiddag: de boodschappen in huis, de planten verzorgd, het zomergoed gestreken en buiten schijnt de zon. Tijd dus voor een fietstochtje. Er staat weliswaar een stevige wind maar dat mag de pret niet drukken.

Halverwege Elst en Homoet valt mijn oog op een bord in de berm. Er staat alleen ‘Hier’ op. Daarachter een niet onaardig geschilderd trosje kersen. Een fors uitroepteken completeert de boodschap. Ik denk na. Thuis staat nog een schaaltje met een restant kersen van de markt, maar dat is net genoeg voor één toetje en kersen zijn in de zomer mijn favoriete nagerecht. Morgen en overmorgen ben ik echter buiten de stad en kersen bederven snel. Ik moest me dus maar tot een bescheiden aankoop beperken.

Lees “Kersen” verder

Niets

Het zou niets worden die avond. Daar hoefden ze niet eerst voor binnen te komen, dat kon je al zien toen ze voor de deur stonden. Vanaf mijn tafeltje had ik daar goed zicht op. Het ouderpaar schatte ik achter in de dertig, de zoon was hooguit zestien, zeventien. Toen de vader, na wat leek op het geven van een laatste waarschuwing, de deur opende en de moeder haar zoon met een dwingende por in de rug over de drempel duwde, hoopte ik vooral dat het binnen niet op een handgemeen zou uitdraaien. De ober had namelijk net mijn bestelling opgenomen en ik had dus nog een hele zit voor de boeg.

Lees “Niets” verder

Biertje

‘Een Wiekse Witte wordt gebrouwen op…?’, vroeg ik de uitbater toen hij me op het terras een kop koffie kwam brengen. Hij keek me een moment verbijsterd aan.

‘Op? Al slaat u mij hartstikke dood, mijnheer.’

‘Op zonne-energie’, zei ik. ‘Wist ik ook niet, hoor, maar dat lees ik net op jullie bierkaart. En weet u hoe lang de Mort Subite Kriek Lambic mag staan om nog net niet zuur te worden?’

Lees “Biertje” verder