Samen stil

Vandaag, 4 mei, is het vijfenzeventig jaar geleden dat we bevrijd werden uit de hel van WOII. Mensen gingen uitzinnig de straat op. Mijn moeder, in de jaren een klein meisje, vertelt mij vooral de laatste jaren vaak dat ze chocolade kreeg van de Canadezen. Ook vertelde ze over twee broers die nooit meer terugkwamen. „Mijn broer Theo, werkte voor de Spoorwegen. Hij ging naar zijn werk en is nooit teruggekeerd. Mijn andere broer, leek wel opgelost. Beiden opgeslokt door het monster dat oorlog heet.˝

Mijn moeder wordt dit jaar zesentachtig. Ze heeft het er de laatste tijd vaak over, de oorlog. Deze tijd van Corona brengt haar terug naar die jaren. „Het doet me denken aan de oorlogstijd,˝ zegt ze dan.

We zijn in strijd verwikkeld met een ingewikkeld virus. Ik kan me inleven hoe de oorlogsjaren voor mijn ouders zijn geweest, beiden hebben ze familieleden verloren, maar de vergelijking kan ik niet trekken. Dit is een onzichtbare vijand. Misschien ervaren mensen thuisquarantaine als een 24/7 avondklok anno 2020. Geen idee. Hier en daar hoor ik mensen roepen dat ze het niet meer volhouden om met elkaar in een ruimte te verblijven, de anderhalve meter afstand, het niet kunnen winkelen. Gelukkig heb ik daar geen last van. Ik vraag me af of we ooit terug kunnen keren naar de tijd zoals voor deze Coronacrisis. Misschien is dit juist de kans om ons leven, de economie, te herdefiniëren. Treden we een nieuw tijdperk binnen.

Vroeger werd er bij ons thuis nooit over de oorlog gesproken. Juist dat zwijgen, maakt dat je het meer waarneemt, dieper voelt, althans in mijn geval. In deze periode van het jaar zag je beelden, torens, die ik –vraag me niet hoe het kan- herkende en vertelde wat voor een torens het waren. Ik was niet ouder dan een jaar of vijf.

Herdenken doe ik nog steeds, ieder jaar. In stilte. Die stilte zal dit jaar oorverdovend zijn. De uitgestorven stad, die ’s avonds spookachtig aandoet, het luiden van de klokken. Ik zal voor het raam gaan staan, zoals ik wel vaker doe als ik mijmer, en denken aan mijn vader die niet meer leeft, familieleden die nooit teruggekeerd zijn.

Woensdag worden de klokken opnieuw geluid. Om 19.00 uur luiden de klokken van troost voor Corona. Wat ik persoonlijk het moeilijkst vind, is dat ik mijn moeder niet kan bezoeken. Pas nog, legde ik bloemen bij haar voordeur neer. Ik had vooraf gebeld dat ik kwam. Ze stond me veilig achter haar voordeur op te wachten. Ik legde de bloemen twee meter van haar voordeur vandaan en liep achteruit het tuinpad af. Aan het begin ervan wachtte ik, zodat we even met elkaar konden praten. Haar zo te zien, broos, eenzaam, op de drempel van de voordeur, brak mijn hart. En ik schaam me niet voor mijn tranen die ik niet kon tegenhouden. Mijn moeder, een dame van bijna zesentachtig, hoeveel tijd hebben we nog samen? We kunnen elkaar geen knuffel geven, net zoals veel anderen hun naasten niet kunnen knuffelen natuurlijk. Ik weet dat velen met mij dit ervaren. Vanavond bel ik haar, net als iedere dag. Ik ga voor het raam staan en bel haar iets voor de klok van 20.00 uur. Dan zijn we samen stil. Twee minuten stil.

Auteur: Felicita Vos

Felicita Vos schrijft non-fictie, gedichten en werkt op dit moment aan haar derde roman. Zij is geboren in Arnhem, waar ze ook woont en werkt. Haar boeken kenmerken zich door een grote maatschappelijke betrokkenheid en ze schuwt het niet taboe-onderwerpen aan te snijden. Voor Arnhem aan Zee schrijft ze columns over datgene wat haar bezighoudt. Website: www.felicitavos.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *