Niets

Het zou niets worden die avond. Daar hoefden ze niet eerst voor binnen te komen, dat kon je al zien toen ze voor de deur stonden. Vanaf mijn tafeltje had ik daar goed zicht op. Het ouderpaar schatte ik achter in de dertig, de zoon was hooguit zestien, zeventien. Toen de vader, na wat leek op het geven van een laatste waarschuwing, de deur opende en de moeder haar zoon met een dwingende por in de rug over de drempel duwde, hoopte ik vooral dat het binnen niet op een handgemeen zou uitdraaien. De ober had namelijk net mijn bestelling opgenomen en ik had dus nog een hele zit voor de boeg.

Ook hoopte ik dat ze een tafeltje achter in de zaak zouden kiezen maar die hoop bleek ijdel: ze namen gedrieën plaats aan het andere tafeltje bij het raam, pal tegenover het mijne. Dat werd dus afzien, wist ik. Je voelde de tragedie in de lucht hangen als een onweer op een benauwde zomernamiddag. De jongen hield zijn petje op terwijl het opschrift ‘Lonsdale’ op zijn sweater ook al niet veel goeds voorspelde. Ook niet voor zijn toekomst, tenzij extreemrechts aan de macht komt natuurlijk. Tegen die tijd mag hij misschien een vaandel met een brullende leeuw vasthouden of iets dergelijks.

Het gesprek tussen hun drieën verliep geforceerd en in een gespannen sfeer zoals was te voorzien. De moeder probeerde er nog iets van te maken door te beginnen over een tante die mee had mogen delen toen een winnend lot van de Postcodeloterij op het adres van een buurvrouw was gevallen. Ze had van het geld een erker aan haar huis laten bouwen. De vader meende dat ze daar dan wel problemen mee zou krijgen omdat ze had nagelaten er een bouwvergunning voor aan te vragen. De zoon hoorde dit alles met zichtbare afkeer aan, trok het schaaltje met kroepoek naar zich toe en begon met twee handen tegelijk de inhoud naar binnen te werken. De moeder probeerde het schaaltje bij haar zoon vandaan te trekken maar stootte daarbij haar glas suikervrije cassis om. Ik deed of ik niets zag of hoorde, maar toen de ober me onder het uiten van duizend excuses meedeelde dat bepaalde ingrediënten van mijn maaltijd niet meer in de keuken aanwezig bleken, maakte ik van zijn nood mijn deugd. Ik beloofde hem dat ik de volgende avond terug zou komen, trok mijn jas aan en verliet de zaak. Toen ik in het voorbijgaan nog even een blik naar binnen wierp, zag ik dat de jongen was opgestaan en met een woedend gebaar zijn petje op tafel smeet. De moeder had haar handen voor haar gezicht geslagen en de vader had een paar gebalde vuisten omhooggestoken. Zijn ogen spuwden vuur en zijn mond stond wagenwijd open in een woeste schreeuw. Gelukkig had de restauranthouder geluidswerend glas laten plaatsen. Nee, het zou niets meer worden die avond. En misschien wel nooit meer.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014). In 2017 verscheen zijn novelle Angelie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *