Kapsalon

Ondanks zijn doorgroefd gelaat en een wat slepende tred maakte hij een opgewekte indruk. Toen hij me tot op een paar meter was genaderd, stak hij onverwachts zijn wandelstok in mijn richting.

‘Het gaat goed met jou!’, riep hij geestdriftig uit.

‘O ja?’, vroeg ik verward terwijl mij prompt de ziekenhuisafspraak te binnen schoot die ik eind van de week had.

‘Ja, man, het gaat goed met jou! Ik zie dat aan je witte broek en je fleurige overhemd. Mensen met wie het slecht gaat, lopen er niet zo vrolijk bij.’

Hij liet zich naast me op het bankje zakken. En terwijl er een sombere trek over zijn verweerd gezicht trok, kreeg zijn stem een droevige toon.

‘Met mij gaat het helaas wat minder de laatste tijd. Het is de maag hè. Altijd weer die maag. Ik moet meer eten, zegt de dokter. Maar ik heb bijna geen trek meer.’

‘Goed eten is belangrijk’, bracht ik in, meer om iets te zeggen dan om een advies van belang te verkondigen.

Hij knikte instemmend.

‘Helemaal waar. Maar ik heb doodeenvoudig geen trek. Ik heb vanochtend één broodje met kaas gegeten. En nu is het al halfdrie maar ik heb nog steeds geen trek.’

Niet wetend wat hierop te zeggen, gooide ik het maar over een andere boeg.

‘Je kunt tegenwoordig ook heel voedzame drankjes krijgen. Daar zitten meer voedingsstoffen in dan in een broodje kaas. Misschien is dat iets?’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Heb ik ook al een keer geprobeerd, maar het hielp niks. Laten we er maar over ophouden. Hoe gaat het met de kapsalon?’

‘Kapsalon?’, vroeg ik verbaasd.

‘Ja, je kapsalon! Je bent toch vorig jaar een kapsalon begonnen?’

‘Ik? Hoe komt u daar bij? Ik denk dat u mij voor een ander houdt.’

Hij draaide zich naar me toe en zette zijn hand boven zijn ogen.

‘Ach ja, nu zie ik het! Ik dacht dat u Jan Gorissen was! Neemt u me maar niet kwalijk. Het zal door de felle zon komen.’

‘Geeft niets, hoor’, zei ik vergoelijkend. ‘Zoiets kan iedereen overkomen.’

Hij keek me doordringend aan en schudde toen licht geïrriteerd zijn hoofd.

‘Het gebeurt mij te vaak de laatste tijd, Nico. Ik zie nu pas dat jij het bent. Hoe gaat het met de taxicentrale?’

‘Taxicentrale?’, vroeg ik verward.

‘Ja, jij bent toch een paar jaar geleden een taxicentrale begonnen?! Willen de zaken een beetje lopen?’

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014). In 2017 verscheen zijn novelle Angelie.

Eén gedachte over “Kapsalon”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *