Carbon racing, wat is dat nou weer? zult u misschien denken, lieve lezers. Carbon racing, ofwel carbon fiber racing, is het nieuwste van het nieuwste op fietsgebied. Niet alleen de velgen maar de hele fiets zelf is gemaakt van koolstofvezels. Die vezels zijn tot garen getwijnd zoals dat heet in de kunstvezelindustrie, waarna er een beschermende coating omheen gespoten is.
Het materiaal is de helft lichter dan het al superlichte aluminium en heeft behalve gewichtsbesparing ook het voordeel dat de fiets minder hobbelt wanneer je over een ongelijk wegdek rijdt. Goedkoop is het spul bepaald niet. Alleen al voor een paar koolstof velgen betaal je gauw duizend euro terwijl een professionele koolstof racefiets al snel boven de tienduizend euro zit.
Al deze wijsheid kreeg ik cadeau van een wielrenner die net als ik een minuutje te laat bij de afvaartplek van de pont arriveerde. Het bootje voer al halverwege de rivier en zou zeker een kwartier aan de overzijde blijven liggen voordat het terug zou keren om een paar fietsers op te pikken, wist ik uit ervaring. En dus maakten we een praatje met elkaar. Eerst over het weer zoals dat gaat, toen over onze fietsen.
‘Kijk,’ zei hij, ‘dit is nu het voordeel van carbon.’
Hij trok een van zijn racehandschoentjes uit en tilde met zijn pink de fiets tot borsthoogte op. Ik keek er verrast naar als betrof het een goocheltruc op een dorpskermis.
‘Maar waarom dan van die dikke velgen?’ vroeg ik op de wielen wijzend.
Hij keek even spiedend om zich heen.
‘Om indruk te maken. Ziet er stoer en gelikt uit, niet dan? Daar vallen de vrouwtjes op.’
In gedachten liep ik mijn vriendinnen langs maar kon er toch niet een uithalen die hitsig zou raken van vuistdikke velgen van een koolstof racefiets. Wel verschenen prompt foto’s voor mijn geest van schaars geklede dames die wellustig uitgestrekt over de motorkap van een Bugatti of een Lamborghini lagen. Ontelbaar veel kalenders zijn er in de loop der jaren gedrukt met het doel om zo een automerk in de markt te zetten zoals dat in jargon heet. Wanneer je na aankoop van zo’n wagen thuiskwam en de kofferbak opende, kwam de dame in kwestie er als extraatje uitgekropen, stelde ik me als jonge knaap voor. Daarom waren die auto’s natuurlijk ook zo duur. Mijn moeder vond het in die jaren maar niets wanneer ik voor mijn speldjesverzameling autogarages affietste, want daar hingen die kalenders tussen het gereedschap aan de muur. Die foto’s van half blote lijven zouden mij maar op ongezonde gedachten brengen, vond ze.
Het pontje keerde terug en we stapten de loopplank op: ik duwde mijn fiets moeizaam omhoog, hij nam de zijne eenvoudig onder zijn arm. Aan de overkant van de rivier namen we afscheid. We moesten nog een eind in dezelfde richting maar samen oprijden zou geen zin hebben. Hij stapte dan ook met een zwaai op en was binnen een paar minuten uit het zicht verdwenen.
Na een half uur fietsen zag ik hem echter terug. Hij zat met een treurig gezicht in de berm, zijn fiets lag naast hem in het gras. Toen hij me aan zag komen tilde hij een van de wielen in de lucht: de spaken staken alle kanten uit.
‘Wat is er gebeurd?’ riep ik en stapte af. ‘Ben je gevallen?’
Hij wees op een scheur in het asfalt.
‘Ik lette even niet op.’
‘En wat nu?’, vroeg ik. ‘Hoe kom je hier weg?’
Hij trok een grimas en schudde geërgerd zijn hoofd.
‘Ik ben ook nog zo stom geweest om mijn telefoon thuis te laten liggen. Nu kan ik mijn vrouw niet bereiken.’
Ik pakte mijn telefoon uit mijn fietstas, tikte de code in en gaf hem het toestel. Hij klaarde zichtbaar op.
‘Ah, dat is fijn. Nu maar hopen dat ze thuis is.’
Dat ze thuis was bleek al snel want hij kreeg de wind van voren. Hoe hij zo stom kon zijn om te vallen met zo’n dure fiets. En dat de aankoop van dat ding toch al voor een chronisch tekort in het huishoudgeld had gezorgd en dat daar nu ook nog de reparatiekosten van zo’n stom wiel bij zouden komen. En dat ze eigenlijk helemaal geen zin had om hem nog op te halen ook.
Ik stond er maar een beetje bij en wachtte tot de storm overgewaaid zou zijn. Een piepje gaf echter aan dat ze het gesprek abrupt beëindigd had.
‘Wat nu?’, vroeg ik voor de tweede keer.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik bel m’n moeder maar,’ zei hij, ‘die heeft ook een auto. En ik denk dat ik daar voorlopig maar blijf.’