Paarden

‘Nou, ze hebben dus drie kinderen en zes paarden en…’

‘Zes paarden?!’

‘Ja, zes paarden, twee paarden per kind. Want je kunt een paard niet de hele dag door berijden. Dat moet je afwisselend doen anders beul je zo’n beest af en dat is heel slecht voor een paard.’

‘Maar die kinderen kunnen toch ook wel om de dag een keer rijden?’

‘Zou kunnen, ja. Maar ze houden nu eenmaal alle drie heel veel van paardrijden. Dus om ruzies te voorkomen hebben ze zes paarden aangeschaft.’

‘Nou nou, toe maar!’

‘En ze hebben twee stallen laten bouwen.’

‘Twee stallen?!’

‘Ja, twee stallen. Want als alle zes paarden in één stal zouden staan, zou de ene helft jaloers kunnen worden als de andere helft naar de buitenbak mag, begrijp je?’

‘Ik wist niet dat paarden jaloers konden zijn.’

‘O, maar dat is een heel bekend verschijnsel, hoor. Katten en honden worden toch ook jaloers als je de een wel aanhaalt en de ander niet? Zo is het ook met paarden. En jaloerse paarden kunnen onberekenbaar zijn en daar moet je geen kinderen op willen laten rijden. Daarom hebben ze ook vier weilanden laten aanleggen.’

‘Vier weilanden?! Waarom in godsnaam vier weilanden? Was één weiland niet genoeg voor zes paarden?’

‘Nou, op zichzelf wel natuurlijk. Maar als de paarden misschien toch een keer in een jaloerse bui zijn, kunnen ze elkaar niks aandoen, daarom is dat.’

‘Dan hadden ze volgens mij beter meteen zes weilanden kunnen aanleggen.’

‘Nee, dat is het ‘m nu juist. Paarden zijn kuddedieren, dus die moet je niet in hun eentje in een weiland zetten. Daar worden ze sikkeneurig van en dat kun je niet hebben met opgroeiende kinderen. Dus ze gaan uit van twee paarden per weiland.’

‘Maar wacht even, je zei vier weilanden. Twee paarden per weiland maakt volgens mij drie weilanden en geen vier.’

‘Nee, nee. Je moet altijd één weiland in reserve houden voor als het toch tussen twee paarden niet botert. Dan moet je ze alsnog kunnen afzonderen. Nee, daar is over nagedacht, hoor.’

‘Zes paarden, twee stallen en vier weilanden. En dat voor drie kinderen. Het is me wat.’

‘En vergeet de trailers niet.’

‘De trailers?’

‘Ja, de trailers om de paarden in te vervoeren.’

‘Maar waarheen zou je die paarden moeten vervoeren? Ze kunnen toch zelf lopen?’

‘Natuurlijk, maar stel dat die kinderen een keer ergens anders willen rijden dan steeds maar dat rondje in die buitenbak. Dan heb je trailers nodig.’

‘Oké, helder. Trailers dus. En hoeveel? Drie, vier, vijf…?’

‘Zeven.’

‘Zeven?!’

‘Ja, zeven trailers. Want die paarden moeten afzonderlijk van elkaar vervoerd kunnen worden. Stel dat ze onderweg nerveus worden en elkaar iets aandoen. Dat kun je niet hebben met die kinderen natuurlijk.’

‘Maar zes paarden maal één trailer is, als ik er goed over nadenk, zes trailers en niet zeven.’

‘Natuurlijk, maar één trailer houden ze in reserve voor als er onverhoopt iets mis gaat met een van die andere.’

‘O ja, natuurlijk.’

‘En veertien chauffeurs natuurlijk.’

‘Veertien?!’

‘Ja, twee keer zeven. Want je kunt niet van een chauffeur verwachten dat hij vierentwintig uur per dag paraat staat om in een trailer te springen, toch?’

‘Nee, natuurlijk niet.’

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *