Controle

Wijdbeens en midden op het pad stond hij me op te wachten. Zijn groene Range Rover had hij onopvallend tussen de struiken geparkeerd. Met zijn armen in de zij en zijn pet diep over de ogen getrokken deed hij me nog het meest aan een vooroorlogse Zollbeamter denken. Of erger natuurlijk. Maar dat kan liggen aan de maand waarin we leven waarin de herdenkingen aan de overheersing door het naziregime met regelmaat het nieuws domineren.

‘Wat zijn wij aan het doen?’, beet hij me toe.

‘Wij zijn aan het wandelen’, antwoordde ik.

Hij deed een stap opzij om te controleren of zich misschien iemand achter mijn rug schuilhield. Die dingen gebeurden in de oorlog als er onverwacht op straat Ausweiskontrolle plaatsvond en je niet snel meer een portiek in kon duiken. Daar komt ook de uitdrukking ‘Hij heeft een brede rug’ vandaan, denk ik.

‘Wandelen, zegt meneer. En dat doen wij zomaar?’

‘Nou, zomaar’, begon ik. ‘Ik moest er eerst wel een flink stuk voor met de bus.’

De man liep rood aan. Driftig gebaarde hij naar een bord dat naast hem in het zand stond en dreigend stak hij zijn kin naar voren.

‘En wij lezen geen borden? Of kan meneer soms niet lezen?’

‘Meneer kan heel goed lezen zelfs, maar dit bord heb ik toch niet eerder gezien. Anders had ik er wel een blik op geworpen.’

‘Op dit bord staat uitgelegd dat er op dit terrein officiële en niet-officiële wandelpaden zijn. En meneer loopt op een niet-officieel pad en is dus in overtreding.’

Hij trok een felgeel bonnenboekje tevoorschijn.

‘En waar is de hond?’

‘Ik heb geen hond’, zei ik.

De man keek zoekend rond.

‘Weet u dat zeker?’

‘Dat weet ik heel zeker’.’

‘Dan boft u want dat scheelt de helft van de bekeuring. Niet aangelijnde honden zijn in dit natuurgebied ten strengste verboden.’

Hij schroefde de dop van zijn pen en hield hem schrijfklaar boven zijn boekje.

‘Waar komt meneer vandaan?’

‘Meneer komt uit Haarlem’, zei ik. ’Tenminste, dat is mij altijd verteld. Maar zeker weten doe ik het niet. Ik bedoel, ik was er zelf wel bij natuurlijk maar mijn geheugen wil niet verder terug dan mijn derde levensjaar, hoeveel moeite ik ook doe, en …’

Half schreeuwend viel hij me in de rede: ‘Als meneer denkt mij in de maling te kunnen nemen dan heeft meneer het mis en tel ik er ‘belediging van een ambtenaar in functie’ bij op. Eens zien of meneer dan nog steeds grappen maakt! Ik vroeg waar u vandaan komt.’

‘Vanochtend? Uit Arnhem. Met de bus.’

‘Uit Arnhem dus. Adres?’

Op dat moment klonk een krakerige stem uit de mobilofoon van zijn patrouillewagen. Hij beende erheen en rukte woedend het portier open. Terwijl hij zich naar binnen boog zag ik mijn kans schoon. Ik liet mij op mijn rug vallen en schoof onder het prikkeldraad van de afrastering door. Binnen drie seconden was ik uit het zicht verdwenen. Terwijl ik mij tussen het jonge groen voorthaastte hoorde ik achter mij de man vloeken en tieren. Nog een geluk, bedacht ik me, dat boswachters niet gewapend zijn, nóg niet tenminste, want anders had hij me misschien wel een regen kogels nagezonden. Auf der Flucht erschossen. Maar die gedachte komt ongetwijfeld in mij op door Dodenherdenking, een bijeenkomst waar ik nooit zonder sombere gedachten huiswaarts van kan keren.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008, De Muze, 2015 en Vage klachten, 2019) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014), in 2017 gevolgd door de novelle Angelie. In 2019 verscheen (digitaal) het boek Arnhem Mondiaal over veertig jaar samenwerkende Arnhemse vredes- en ontwikkelingsorganisaties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *