De wereld verbeteren

Het is januari, twee uur ’s nachts en koud. De eerste vorst van het nieuwe jaar. De volle maan werpt een ijzig licht over de daken van de huizen waar nog maar achter een enkel raam licht brandt. De straten zijn verlaten. Ik nader het Willemsplein. Nog tien minuten fietsen en ik ben thuis.

Net als ik denk dat alle stoplichten speciaal voor mij op groen zijn gezet, springt het licht voor me op rood. Instinctief – je bent een stadsmens of niet – rem ik af en zet een voet op de trottoirband. Dan, uit het niets, duikt er naast me een motoragent op. Hij ziet er op zijn BMW prachtig uit in het maanlicht. Een smetteloos witleren jas en dito broek, een glanzende helm met een oranje bies. Het vizier is dichtgeklapt. De motor blijft zachtjes doorgrommen terwijl we keurig naast elkaar staan voor de witte streep, wachtend op groen.

Dan opeens bekruipt me dat weerbarstige gevoel dat ik vaker heb wanneer iemand mij tracht te bewegen tot iets waar ik de zin niet van inzie. Ik kijk om me heen. Geen verkeer te zien. Alleen wij tweeën staan daar maar. En dan is er ook weer die koppige neiging tot handelen. Ik zet af en fiets verder. Achter me moet even later het stoplicht op groen zijn gesprongen want ik hoor een motorfiets optrekken. De rest is te voorzien want het is natuurlijk de goden verzoeken.

De agent komt naast me rijden en steekt gebiedend een hand op. De brede leren handschoen is al even wit als het pak en de motor. Ik stop. Een holle stem klinkt op van achter het vizier.

‘Wat zijn wij aan het doen?’

‘Wij fietsen naar huis’, zeg ik.

Even zwijgt de stem en ik voel een wolkje ergernis van onder de helm vandaan komen.

‘En dan rijden we zomaar door rood?’

‘Nou, zomaar,’ zeg ik, ‘er kwam niets aan dus dan vind ik het onzin om voor een rood stoplicht te blijven wachten.’

Het antwoord is voorspelbaar.

‘Kijk eens hier, mijnheer, als iedereen door rood gaat rijden als-ie daar zin in heeft, wordt het een rommeltje op de weg.’

‘Klopt,’ zeg ik, ‘maar als iedereen een beetje meer rekening houdt met elkaar valt het misschien wel mee met dat rommeltje.’

Het wolkje ergernis wordt dichter. Ik ruik er een neiging tot afrekenen in.

‘Zo, dus mijnheer wil de wereld verbeteren?’

Er klinkt een forse dosis spot door in de stem.

‘Nou, de wereld is misschien wat veel ineens,’ zeg ik, ‘maar een beginnetje op dit plein zou zo gek niet zijn.’

Nu is het moment voor de agent gekomen om zijn bonnenboekje tevoorschijn te trekken. Hij zal mijn paspoort vragen en vervolgens zal ik aannemelijk moeten maken wat ik om twee uur ’s nachts buiten doe terwijl de rest van de stad al een paar uur op één oor ligt. En ten slotte zal hij mij vragen of ik contant wens te betalen of de rekening thuisgestuurd wil krijgen wat wel een paar tientjes extra kost. Maar ik zie de hand van de man naar de koppeling gaan en een voet een tik geven op het versnellingspedaal. Dan scheurt de motor weg nog voor ik het goed en wel in de gaten heb. Drie seconden later is het weer doodstil op het plein. Alleen springen links en rechts de stoplichten in hoog tempo van groen op rood en weer terug. Het lijkt wel een feestje. De goden hebben er zichtbaar schik in.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008, De Muze, 2015 en Vage klachten, 2019) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014), in 2017 gevolgd door de novelle Angelie. In 2019 verscheen (digitaal) het boek Arnhem Mondiaal over veertig jaar samenwerkende Arnhemse vredes- en ontwikkelingsorganisaties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *