Verjongen van de lanen

Het was even schrikken toen ik vanmiddag via een smal bospad op de hoofdlaan van het landgoed uitkwam. Tenminste, wat tot voor kort de hoofdlaan was. Waar eerst tientallen meters hoge bomen stonden, lagen nu aan weerszijden van de laan stapels stammen en kort gehakte takken, afgewisseld met enorme bergen spaanders. In het midden van de laan waren door zwaar bosbouwmaterieel diepe sporen getrokken die door de vele regen van de laatste dagen vol water stonden. Moeizaam ploeterde ik naar het hek in de verte waarachter ik de verharde weg wist. Grote plakken modder kleefden aan mijn schoenen en in een mum van tijd zat mijn broek tot aan de knieën onder de blubber.

Achter het hek stond een pick-up truck van Staatsbosbeheer. Een paar mannen in groene uniformen beraadslaagden met elkaar, een stafkaart op de motorkap.

‘Heren,’ groette ik en op mijn broek en schoenen wijzend, ‘vanwaar die catastrofale ingreep achter mij? Ik herken het hier niet meer terug!’

De mannen keken elkaar even zwijgend aan tot een van hen, de oudste zo te zien, quasi machteloos de armen spreidde.

‘Verjonging van de lanen, meneer. Doen we het niet, dan komt de boel vanzelf omlaag. En dan zult u net zien dat u er onder loopt. Dat zou u toch ook niet willen of wel?’

‘Nee’, gaf ik toe, ‘maar had het niet in stapjes gekund? Nu ziet het eruit of er een vliegtuig is neergestort.’

De man haalde zijn schouders op en boog zich weer met zijn collega’s over de landkaart. Ik liep door en kwam niet veel verder een ouder echtpaar tegen. Ze hielden elkaar bij de arm en zagen er ontredderd uit. Nog voor ik hen kon groeten, richtte de man zich tot mij en met zijn wandelstok in de richting van de verdwenen laan wijzend, zei hij met bevende stem: ‘Heeft u dat gezien, mijnheer? Alle bomen zijn daar om! Die hele mooie laan is weg!’

‘Ja’, voegde zijn vrouw toe. ‘Het waren beuken, mijnheer. Hele mooie beuken.’

‘Het is de verjonging van de lanen’, zei ik en ik hoorde in mijn stem de toon van de boswachter. ‘Het is nodig omdat de boel anders vanzelf omlaag komt. En stel dat u met uw beidjes daar net op dat moment onder loopt. Dat zou u toch ook niet willen of wel?’

‘Nee mijnheer,’ zeiden beiden tegelijkertijd met zachte stem, ‘dat zouden wij ook niet willen.’

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014). In 2017 verscheen zijn novelle Angelie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *