Tegen

Toen ik na een paar uur fietsen – met forse tegenwind – aan koffie toe was, stopte ik bij het café dat ik in de zomermaanden nog weleens aandeed vanwege het schitterend gelegen terras. Het bevindt zich aan de overzijde van een tamelijk drukke straat en de serveersters moeten soms rennen voor hun leven om de vermoeide toerist zijn drankje te bezorgen.

Omdat de lente nog moest komen was het terras gesloten en toen ik tegen de voordeur duwde om binnen te treden, bleek deze op slot. Pas toen viel mijn oog op een bordje dat naast de deur op een krukje stond: ‘Ingang om de hoek’. Vreemd, dacht ik, want om de hoek was de ingang naar de stal waar vroeger het vee de wintermaanden doorbracht. Ik liep het gebouw om en stapte de schemerdonkere deel binnen. Nadat mijn ogen waren gewend ontwaarde ik een tweede krukje met een bordje waarop in hetzelfde houterige handschrift stond: ‘Ingang linksaf’. Via een tussendeur kwam ik in de caféruimte waar een man achter de tap stond die mij met de handen in de zij argwanend opnam. Een nieuwe eigenaar, drong het onmiddellijk tot me door. En ik was de enige gast, ook dat viel me meteen op.

‘Goedemiddag’, zei ik.

‘Ook zo’, zei de man en hief even zijn kin op. Een gebaar dat in deze streek gebruikelijk is wanneer boeren elkaar in het voorbijgaan even groeten. Maar voor het verwelkomen van een gast vond ik het wat minder.

Om het ijs te breken merkte ik op dat ik verrast was geweest door de voordeur die op slot zat.

‘Dat hebben we gedaan voor de wind’, bromde de man.

‘Tegen’, zei ik. Het was eruit voor ik er erg in had.

‘Hoe bedoelt u ’tegen’?! De man kwam met een paar stappen achter de tap vandaan, de handen nog steeds uitdagend in de zij gestoken.

‘Ik bedoel,’ haastte ik me te zeggen, ‘dat de deur dichtgedaan is tégen de wind.’

‘Ja, natuurlijk is dat gedaan tegen de wind. Anders waaien hier de kranten van tafel, begrijpt u wel?’

‘Zeker,’ zei ik, ‘maar …’

‘En als u daar wat tegen hebt moet u dat maar gewoon zeggen. De mensen zijn overal tegen tegenwoordig.’

‘Ik bedoelde alleen maar…’, probeerde ik zwakjes.

‘En als het de gasten niet bevalt als wij hier de wind buiten willen houden, kunnen ze ook gewoon vertrekken.’

Even keek ik verlangend naar het blinkende koffiezetapparaat dat op een hoek van de tap stond.

‘Goed,’ zei ik toen, ‘ik ga al.’

Ik nam mijn fietstas weer op en stapte naar de deur. De verkeerde, want die zat op slot. Ik draaide me om en haastte me, nagestaard door de man, via de deel weer naar buiten. Mijn fiets was omgevallen, zag ik toen ik de hoek van het café omsloeg. Maar omdat het voorwiel nog draaide bekroop me opeens het beklemmende gevoel dat niet de wind daar schuldig aan was geweest. Ook meende ik even de klink van de cafédeur te zien bewegen. Ver weg verscheurde de schreeuw van een meeuw de ingevallen stilte, toen sloeg de wind me weer met veel gerammel en geklepper om de oren.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014). In 2017 verscheen zijn novelle Angelie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *