Tatoeages

Hij was zeker twee meter lang, had een kaalgeschoren hoofd en droeg gouden oorringen. Verder had hij een leren jack aan met een bontkraag waarboven in zijn hals tatoeages met vervaarlijke punten uitstaken. Niet bepaald het prototype van de natuurliefhebber, vond ik.

Toch kwam hij samen met een vriendin, een wat onderdanig ogende vrouw in het zwart die zeker twee hoofden kleiner was dan hij, het natuurcentrum binnen.‘Laten we daar gaan zitten, Erik’, zei de vrouw terwijl ze naar het tafeltje naast het mijne wees.

De man keek even vorsend in mijn richting.
‘Oké’, knikte hij en liep achter haar aan terwijl zij een dienblad met twee koppen koffie voor zich uit droeg. Zijn spijkerlaarzen die tot halverwege zijn kuiten reikten, bonkten op de planken vloer van de tot bezoekersruimte verbouwde tabaksschuur.

Intuïtief haalde ik mijn handen uit mijn zakken, klaar om op elke onverwachte beweging te kunnen reageren.
De vrouw trok haar jas uit en hing hem over een van de stoelen. Het truitje dat ze droeg bleek ook gitzwart, net als het sjaaltje dat ze om haar hals had geknoopt en dat ze nu met moeite los wurmde. De bleke huid van haar nek contrasteerde opeens fel met haar kleding.

‘Als we hier zitten kunnen we ook door het raam naar buiten kijken’, zei de vrouw. ‘Misschien zien we net als vorig jaar weer de eerste tjiftjaf.’
‘Kan niet’, bromde de man. ‘Het is nog te vroeg voor de tjiftjaf. Misschien over twee weken.’

De vrouw haalde haar schouders op.
‘Ze kunnen dit jaar toch ook twee weken eerder komen? Wat maken die paar weken nou uit?’

De man schudde ongeduldig zijn hoofd.
‘De vorstgrens ligt nog te ver zuidelijk. Die beestjes hebben meer verstand van het weer dan iedereen hier bij elkaar.’

Hij maakte daarbij een zwaaiende beweging met zijn in leer gevatte arm waardoor ik instinctief ineen dook.
De vrouw dronk zwijgend haar kopje leeg. Toen veerde ze opeens op.
‘Zullen we straks het kruisbergpad weer eens nemen? In dat deel van het bos zijn we al heel lang niet meer geweest.’

De man keek bedenkelijk.
‘De laatste keer dat we daar liepen kwamen we die vent tegen die ons zo dreigend aankeek, weet je nog?’
‘Ach ja’, zei de vrouw, ‘maar hij deed toch verder niks?’
‘Nee’, zei de man, ‘maar dat konden we pas zeggen toen we weer thuis waren. Ik ga niet meer die kant uit.’

De vrouw legde even kalmerend een hand op zijn arm.
‘We hoeven daar ook niet per se heen, Erik. Als jij je daar niet op je gemak voelt nemen we gewoon dat drukke pad onderlangs. Dan zijn er altijd mensen in de buurt die kunnen bijspringen als er wat gebeurt.’

De man knikte gerustgesteld en dronk het laatste restje koffie uit zijn kopje.
‘Zullen we dan meteen maar gaan?’ vroeg hij terwijl hij het lepeltje in het kopje mikte. ‘Misschien horen we de zwarte specht. Het is paartijd voor die beesten.’

De vrouw knikte, greep haar jas en haastte zich achter de man aan naar buiten. Maar toen had ik mijn handen allang weer terug gestoken in mijn broekzakken.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014). In 2017 verscheen zijn novelle Angelie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *