‘Kijk meneer,’ zei hij om zich heen wijzend, ‘drie bunder grasland, driehonderdtwintig koeien, nee, sorry, driehonderdachttien, er zijn er vannacht twee doodgegaan. Prima gras, prima koeien! Maar wil ik het als veeboer goed blijven doen dan heb ik eigenlijk een bunder extra nodig. Maar weet u wat dat kost, meneer, een bunder grasland in deze streek?’
Ik deed of ik diep nadacht maar een antwoord hoefde ik al niet meer te geven.
‘Vijfentachtigduizend, meneer! Tien procent meer dan twee jaar geleden! Over vijf jaar betaal je een ton voor een hectare, let op mijn woorden! En wie gaat dat betalen, sorry, wie kán dat betalen? Nou..?’
Een lichte paniek maakte zich van mij meester. Hier werd ik door de eerste de beste agrariër die ik op mijn wandeling tegenkwam getoetst op mijn parate kennis over landbouwkwesties waar ik nog nooit serieus over had nagedacht. Gelukkig viel dat niet zo op omdat de man, eenmaal aan het woord gekomen, van geen ophouden meer wist.
‘Ik zal het u zeggen, meneer. Niemand! Niemand kan dat meer betalen! Ja, de projectontwikkelaars, dat soort lui. Die willen dat wel betalen omdat ze zeker weten dat de verkoop van een woonwijkje dat ze op goede landbouwgrond neerpoten meer oplevert dan de koop van de grond ze gekost heeft!’
Hij keek me boos aan en ik knikte maar wat.
‘En kent u nog één bank die jou als eerlijke boer een krediet verschaft voor de aanschaf van een bunder grasland voor je koeien? Nou?’
’Pfft..’, bracht ik uit.
‘Niet één meer, meneer! Niet één bank doet dat meer! Ja, vijftig jaar geleden, ja! Toen smeten ze met kredieten! Zolang je het maar groot aanpakte. Dan kreeg je de miljoenen zo contant in het handje. Een krediet voor een schuurtje kreeg je niet, maar een hal voor driehonderd koeien? Huppekee, geen probleem, meneer! Schaalvergroting heette dat in die tijd, noodzakelijke schaalvergroting! En nu alles groot is uitgeschaald en er geen boer meer is met tien of twintig koeien en wat kippen achter het huis, nu komen ze met wetgeving om het aantal koeien dat jij houdt te beperken! En waarom, meneer, waarom vraag ik u?’
Even dacht ik dat hij doelde op het mestoverschot, de stikstofproblematiek, de uit zijn voegen gebarsten vleesconsumptie in de wereld, want daar kon ik tenminste nog iets zinnigs over zeggen, maar ik had het mis.
‘Omdat ze daar in Den Haag een hekel hebben aan de boeren, meneer! Boeren maken herrie, ze stinken naar mest, hun tractoren maken de straten vies en ze spreken niet netjes met twee woorden, daarom, meneer! En dus?’
‘Eh, en dus..?’
‘En dus moet je als boer het roer omgooien, met je tijd meegaan zogezegd.’
Hij knikte voldaan en pakte me mij bij mijn bovenarm.
‘Komt u maar eens mee, dan zal ik u wat laten zien!’
Ik liep gewillig met hem mee naar een gebouwtje dat in vroeger tijden het bakhuis van zijn boerderij moest zijn geweest. Hij duwde met zijn klomp de deur open en duwde mij naar binnen. Voor me stond in een fel wit tl-licht een enorme glazen vitrine met rijen vakjes waarin stukken kaas lagen, allemaal vacuüm verpakt en van etiketjes voorzien.
‘Zo’, zei hij. ‘Nu moet u maar eens rustig rondkijken en een lekker stukje kaas uitkiezen. Allemaal van eigen koeien natuurlijk. Ik moet nu naar de stad maar op het bordje staat een handleiding en contant geld heeft u niet nodig, het apparaat werk op bankpasjes. Succes!’
Hij liet mij in de ruimte achter en even later hoorde ik een auto de weg oprijden.
Ik keek eens rond. De ruimte was van boven tot onder glad betegeld, een onzichtbare luchtververser blies koele lucht in het rond en uit het enorme apparaat klonk een zachte, geruststellende zoemtoon. De inrichting van het geheel moest hem een klein vermogen hebben gekost en ik vroeg mij af of hij daar misschien dan wel een krediet voor had kunnen krijgen. Eigenlijk had ik thuis in de koelkast nog kaas genoeg maar bij wijze van solidariteit besloot ik een stuk kaas uit de machine te kopen. De handleiding lezend trok ik mijn bankpasje uit mijn portemonnee. Stap voor stap liep ik de tientallen vakjes af tot mijn oog viel op een kaassoort die gemaakt was met vegetarisch stremsel. Met twaalf euro voor een ons of drie, vier niet bepaald goedkoop, maar ik besloot het stuk dan toch maar te kopen. Na de instructies gevolgd te hebben hield ik mijn pasje voor de lezer. Er klonken wat klikjes en piepjes en toen de tekst ‘u heeft betaald’ op het schermpje verscheen, trok ik aan de handel van het kaasvakje maar vreemd genoeg kreeg ik er geen beweging in. Snel herlas ik de handleiding en controleerde het schermpje, maar waar net nog stond dat ik betaald had, verscheen nu opeens het tekstje ‘nog 20 seconden’. Het getal twintig liep snel terug en ik gaf een ruk aan het handeltje maar er gebeurde niets. Wel klonk opeens een fluittoon en op het schermpje verscheen de tekst ‘volgende klant’.
Ik haalde diep adem en probeerde een opkomende boosheid de baas te worden. Zou ik bij het woonhuis aanbellen in de hoop dat ik de boerin het voorval kon uitleggen? En dan? Hoe moest ik bewijzen dat ik wel degelijk betaald had? Mokkend verliet ik het gebouwtje en vervolgde mijn wandeling. De boeren en hun tijd. Hadden ze mij als simpele stadsbewoner toch weer te pakken.