De rollator

(Afbeelding Gemaakt door Catherine)

Het was druk in de conversatiezaal. Veel kwebbelende dames, een enkele brommende heer. En het was dinsdag, dus stond sjoelen op het programma. Op vier plaatsen in de zaal waren de tafeltjes aaneen geschoven om de lange houten bakken er zo op te kunnen plaatsen dat niemand er met een rolstoel, rollator of looprek tegenaan kon stoten, want dat geeft maar ruzie.

Zwijgend en in zichzelf gekeerd zoals altijd zat mijn moeder aan een van de bakken op haar beurt te wachten. En ook zoals altijd moesten haar tafelgenoten haar erop attent maken dat ik binnen was gekomen: Lily, daar is je zoon!

Mijn moeder kijkt dan steevast verschrikt op alsof er iets tegen het raam vliegt en ze heeft pas in de gaten dat ik het ben wanneer ik me over haar heen buig om haar te begroeten.

Maar ditmaal, op deze druilerige dinsdagmorgen, ging het anders.

Meteen na mijn binnenkomst kwam een van de vrijwilligsters op me af: ‘Uw moeder is een beetje over haar toeren. Haar rollator is stuk.’

De rollator stuk! Dat is zo’n beetje het ergste dat mijn moeder kan overkomen!
‘Zonder rollator kan ik niet lopen, jongen, en als ik niet loop ga ik dood.’

Een week later en opnieuw dinsdagmorgen. Ik heb speciaal een vroege trein naar haar woonplaats genomen en sta bij de plaatselijke fietsenmaker in de werkplaats.
‘Ik kom de rollator van mijn moeder halen.’

De man is bezig om een aan kabels hangende fiets van nieuwe trappers te voorzien en wijst met een slordig gebaar naar een hoek van het vertrek. Daar, tussen oude banden en andere rommel, staat de ingeklapte rollator van mijn moeder.

Ik frons. Mijn voorgevoel zegt me dat iets niet in de haak is.
‘Heeft u het euvel kunnen verhelpen?’, vraag ik voorzichtig.

Zonder van zijn werk op te kijken haalt de man zijn schouders op.
‘Ach meneer, wat zal ik u zeggen? Het karretje is minstens twintig jaar oud. We hebben er een uur aan staan sleutelen. Hij rijdt nu wel weer, maar remmen doet-ie niet meer.’
‘Goed,’ zeg ik, ’hoeveel krijgt u van me?’

Een half uur later loop ik, vroeger dan gewoonlijk, de conversatiezaal van het verzorgingstehuis binnen. De rollator, licht en soepel als het ding nog is, met me meevoerend.
‘Lily, daar is je zoon!’
‘En hij heeft je rollator meegebracht!’

Bij het woord ‘rollator’ veert mijn moeder op.
‘Is hij weer gerepareerd?’

‘Ja’, antwoord ik. ‘Dat is te zeggen, niet helemaal. De wieltjes doen het weer maar de rem is nog steeds stuk en ook niet meer te repareren. Tot op de draad versleten, zei de man van de fietsenwinkel.’

‘Versleten?!’, zegt mijn moeder en ik hoor aan haar stem dat ze zich opwindt. ‘Die dingen zijn onverslijtbaar volgens de fabrikant. Daar hebben wijlen je vader en ik indertijd een fors bedrag voor neergeteld. Je hebt die koekenbakker toch niet betaald, hoop ik?’

‘Een tientje, moeder.’

‘Een tientje?! En het ding is nog steeds stuk!’

‘Moeder, ze hebben er een uur aan gewerkt. Dan kan ik er toch niet onbetaald mee de winkel uitlopen?’

Mijn moeder schudt driftig haar hoofd.
‘Afzetters zijn het! En je hebt je nog door hen laten beetnemen ook!’

Ik zwijg. In gedachten hoor ik mijn moeder weer tekeergaan wanneer ik van de kapper terugkwam met mijn haar nog steeds tegen de kraag van mijn trui. De kapper was vol begrip geweest toen ik hem zei dat ik het niet te kort wilde.
‘Ga terug naar de kapper!’, gebood mijn moeder dan. ‘Ik heb gezegd ‘flink kort’ en dit is niet ‘flink kort’!’

 

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014). In 2017 verscheen zijn novelle Angelie.

Eén gedachte over “De rollator”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *