#MeThree

(Illustratie: Gemaakt door Catherine)

‘Kijk,’ zei de vrouw omhoog wijzend, ‘dat het vroeger een kapel is geweest kun je nog zien aan de vensters. Bij de verbouwing zijn ze tevoorschijn gekomen. We hebben er nieuwe sponningen en glas in moeten laten zetten uiteraard, maar ze zijn in wezen nog authentiek.’

‘En dus zo’n driehonderd jaar oud?’, vroeg ik.

‘Driehonderdzestien om precies te zijn. Toen de Hugenoten naar de noordelijke landen vluchtten hebben ze zich ook in deze stad gevestigd. Zij hebben de kapel laten bouwen om in den vreemde onder elkaar te kunnen zijn. Zoiets als nu de moskeeën hier in de stad.’

We liepen om het biljart heen dat met een dik zeil was afgedekt tegen het bouwstof en wurmden ons tussen een paar stapels sierstenen door naar een van de zijmuren.

‘En hier moet dan een doorgang komen’, zei de vrouw met brede armzwaaien een poort uitbeeldend. ‘Althans, volgens de architect. Maar omdat het pand op de gemeentelijke monumentenlijst staat, is de ingreep nog niet goedgekeurd door Bouw- en Woningtoezicht.’

Ze keek me aan en knipoogde even. ‘Maar ik heb er het volste vertrouwen in dat dat goed komt, hoor.’

Toen ze er een zwoel lachje op liet volgen, begreep ik wat ze bedoelde. Het zou slechts een kwestie van tijd zijn voordat de vergunning af zou komen. Daar stond niet alleen dat lachje borg voor, maar ook haar volle boezem die bijna uit haar mantelpakje barstte.

‘En hierboven komen dan twaalf hotelkamers met allemaal eigen douche en bad en op elke verdieping een sauna met jacuzzi. Maar daar kunnen we pas aan beginnen wanneer het hiernaast klaar is want anders lopen de werklui elkaar alleen maar in de weg.’

‘Dat wordt dus een langetermijnklus’, zei ik. ‘Het zal niet klaar zijn voor het hoogseizoen begint, schat ik zo.’

‘Maar dat is wel de bedoeling natuurlijk’, zei de vrouw. ‘Daarom hebben we toch maar vast een tijdelijke doorgang gemaakt.’

Ze schoof een stel rollen isolatiemateriaal weg die naast elkaar tegen de muur stonden waardoor een geïmproviseerde deur van meubelplaat zichtbaar werd.

‘En als er dan iemand van de gemeente langskomt, zetten we er gauw die rollen isolatiespul voor en dan zie je er geen klap van.’

Ze lachte weer dat schalkse lachje maar nu uitbundiger.

‘Dus,’ zei ze terwijl ze amicaal een wijsvinger tegen mijn borst duwde, ‘de volgende keer dat u weer de stad bezoekt logeert u niet in De Gouden Kroon maar bij ons, afgesproken?’

Ik glimlachte.

‘Dat kan ik niet beloven’, zei ik. ‘Ze zijn nogal streng op dat soort dingen bij mij op het werk.’

‘O ja?’, zei ze, haar hoofd koket een beetje scheefhoudend. ‘En wat doet u voor werk, als ik vragen mag?’

Ik tastte in mijn binnenzak naar mijn portefeuille met visitekaartjes.

‘Ik werk bij de provincie’, zei ik. ‘Op de afdeling HH om precies te zijn. Dat staat voor Handhaving Horeca.’

De vrouw verbleekte.

‘U, eh, u bedoelt …’stotterde ze.

‘Juist,’ zei ik, ‘dat bedoel ik.’

Toen hernam ze zich, streek haar mantelpakje glad en tilde even haar borsten op.

‘Is daar niet wat aan te doen? U en ik, bedoel ik’, zei ze, haar hoofd weer even aanminnig schuin houdend.

‘Jawel,’ zei ik, ‘daar is zeker wat aan te doen.’

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014). In 2017 verscheen zijn novelle Angelie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *