Dooi

Vannacht is de dooi ingevallen. Dat is vele uren eerder dan de nieuwslezers hadden aangekondigd. Ik constateer dat wanneer ik om half 8 de gordijnen opentrek en in het gisteren nog met een dik sneeuwtapijt belegde dak van de overburen grote zwarte gaten van de blootgekomen pannen zie. Uit de goot drupt over de gehele lengte smeltwater omlaag. Het vormt beekjes die over het paadje langs de muur naar het gazon stromen dat er al moerassig begint uit te zien.

Langs de opgaande randen van het dak lijkt de dooi met schokjes te zijn ingetreden. Het ziet er rafelig uit en je kunt niet goed zien of het nu propjes watten op een zwarte ondergrond zijn of zwarte noppen op een wit laken. Het doet me prompt denken aan de puntzakjes witte en zwarte pilvormige snoepjes die je vroeger voor een paar kwartjes bij de plaatselijke drophandel kon krijgen en waarmee het doktertje spelen met het buurmeisje nog leuker werd dan het zonder dat snoepgoed al was.

Ook komt de gedachte in me op dat er misschien wel helemaal geen sprake is van dooi maar dat de overburen er op zolder een wietkwekerij op nahouden. Dat zou meteen verklaren waarom zij, wanneer ze het over hun tuin hebben, altijd knipogend zeggen dat ze er van die ‘lekkere dingen’ telen. Mijn moeder, die bij tijd en wijle zeer kordaat kon optreden, zou bij deze gedachte ongetwijfeld met snoeischaar en kruiwagen bij hen aangebeld hebben om daar op zolder net zo lang tussen de rommel te zoeken tot ze die potten met donkergroene stekjes had gevonden. Overigens stuurde ze ons als kinderen met diezelfde vastberadenheid terug naar de kapper wanneer de beste man onze hoofden niet kaal genoeg naar haar zin had geschoren. Dat wij uit pure gêne nauwelijks de zaak meer binnen durfden te stappen, speelde voor haar geen enkele rol. Maar mijn moeder leeft niet meer en de politie heeft naar eigen zeggen andere prioriteiten dan het controleren van smeltende sneeuw op daken om op die manier de drugshandel in den lande een forse slag toe te brengen.

Wie wel het dak komen inspecteren zijn de kauwtjes. Ik zie ze na het maken van een paar verkenningsvluchten op de gladde nok landen en systematisch, richel na richel, de natte pannen afspeuren op eetbare zaken. Het versterkt mijn mening weer eens dat er in die grijze koppetjes meer aan wiskundig inzicht huist dan wij als hooghartig mensengeslacht denken te weten. Al balancerend vermijden ze zorgvuldig de mollige hompen sneeuw die nu nog aan het dak verkleefd zitten maar die elk moment los kunnen raken om zich beneden in de kraag van een nietsvermoedende voorbijganger te storten. Met hun lichtblauwe kraaloogjes turen ze voortdurend om zich heen maar steken soms ook hun grijze kopjes onder de rand van een dakpan door waardoor je alsnog gaat vermoeden dat er op die zolder iets verbouwd wordt dat het daglicht niet kan verdragen.

Ook is de hiërarchie binnen het kraaienvolk op een dag als deze goed te zien, want zodra een van de dieren iets eetbaars ontdekt, een insect dat zich tussen de pannen aan de vrieskou probeerde te onttrekken of een omhoog gewaaid zaadje dat in een kier is vastgeraakt, jaagt de grootste van de groep de eerlijke vinder weg om zich aan de vondst tegoed te doen. Het verjaagde exemplaar zie je bijna verongelijkt op de wieken gaan, soms gevolgd door een partner want ook bij kauwen bestaat huwelijkstrouw. De overwinnaar knikt een paar keer voldaan om vervolgens gretig in de lekkernij te happen. De baas spelen blijft blijkbaar niet beperkt tot presidenten van sommige landen waar je als kraai nog geen nest meer zou durven bouwen.

Met deze somber stemmende gedachte loop ik naar beneden om in de woonkamer de nieuwslezer te horen verkondigen dat in Midden-Amerika grote zwermen inheemse vogels bezig zijn het continent te verlaten om er naar alle waarschijnlijkheid niet meer naar terug te keren. Ik kan me dat goed voorstellen. Als ze voor hun broodnodige rust en veiligheid nu maar niet uitwijken naar Groenland.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008, De Muze, 2015 en Vage klachten, 2019) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014), in 2017 gevolgd door de novelle Angelie en in 2024 door de roman De Inkwartiering (over de asielzoekersproblematiek). In 2019 verscheen (digitaal) het boek Arnhem Mondiaal over veertig jaar samenwerkende Arnhemse vredes- en ontwikkelingsorganisaties.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *