Laag water

Ik had als man van deze tijd voor mijn vertrek van huis nog op de website van het veerbedrijf de vaartijden gecontroleerd, maar toen ik halverwege mijn wandeling dicht bij een afgelegen dorp de afvaartplek bereikte, was er geen pont te bekennen.

Wel stond er een man met een hengel op de veerstoep over het water te staren. Nog voor ik hem gevraagd had of hij soms wist waar de pont gebleven was, draaide hij zich naar me toe en keek me knikkend aan.

‘Ja, laag water, hè?’, zei hij met een breed gebaar over de rivier wijzend. ‘Dan vaart-ie niet. Dan kan-ie niet aanleggen, voelt u wel?’

Hij wees naar een bolder waar vanaf een staalkabel slap het water inliep.

‘Kijk, het water staat hier een heel eind vandaan, ziet u wel? Dat betekent dat de pont eerder aan de grond zit dan dat-ie aan kan meren. En aan de overkant is het net zo. Dus dan slepen ze hem weg, hè? Hij ligt nu twintig kilometer verderop in een haven te wachten op betere tijden.’

‘Juist’, zei ik. ‘Dan zou ik graag hebben gezien dat het bedrijf dat deze pont beheert, dat even kenbaar had gemaakt op zijn website. Nu sta ik hier dus voor niets.’

De man haalde even zijn schouders op.

‘Website, website. Dat zijn stadse zaken, meneer. Hier in het dorp lopen we dan even bij elkaar aan, voelt u wel? In geval van nood heeft schoolmeester Karremans een telefoon en dat is genoeg. We hebben hier een bakker, een kruidenier en een steenkolenhandel. Groenten eten we uit eigen tuin, kippen en varkens houden we zelf en een lekke band plakken kan iedereen hier wel.’

‘Zo,’ zei ik beduusd, ‘dan is het te hopen dat men hier niet een keer een dokter nodig heeft.’

‘Een dokter? Waar heb je een dokter voor nodig? We hebben Bertus, meneer, meer hebben we niet nodig. Bij hem kun je altijd terecht met wat voor probleem ook.’

‘Bertus?’

‘Ja, Bertus van het Molenpad, u weet wel. Die kan alles. Was in zijn jeugd al een bijdehandje, hoor! Kiespijn? Bertus heeft een nijptang. Schoen stuk? Bertus heeft klompen in alle maten. Lekkage, verstopping, ruit kapot? We lopen even naar Bertus en huppakee, probleem opgelost. Ja, prachtvent. Is zijn gewicht in goud waard, werkelijk waar.’

Ik haalde even diep adem. Wat nu te doen?

‘Wat u kunt doen’, zei hij mijn gedachten radend, ‘is teruglopen naar Het Rode Paard.’

‘Aha’, zei ik. ‘Het rode paard, net wat ik dacht. En waar is dat dat rode paard te vinden?’

De man ging er eens goed voor staan en wees met zijn hengel naar iets onzichtbaars ver weg in de uiterwaarden.

‘Daar, meneer, daar staat Het Rode Paard! Mijn oom Kobus zaliger heeft er nog gewerkt. Jaja, werken bij Het Rode Paard was niet voor iedereen weggelegd, dat kan ik u wel vertellen! Daar moest je voor uit het goede hout gesneden zijn, zoals het spreekwoord zegt. Ik ben dat niet, dat zeg ik u eerlijk, maar hij was dat wel. Hij kon goed met klanten omgaan, ik niet. Ik ga liever vissen. Kijk, met een vreemde als u even een praatje maken, dat gaat nog wel. Maar komen er meer voor m’n neus staan, dan krijg ik het benauwd, voelt u wel? Dan wil ik weg. Zit in de familie, mijn moeder had dat ook. Maar hij, oom Kobus dus, had dat dus niet. Hij kon met iedereen tegelijk een praatje maken. En dat moest je kunnen als je bij Het Rode Paard werkte, begrijpt u? Maar ja, hij moest een keer voor de zaak naar de stad, drank halen of iets dergelijks. En hij raakt onderweg aan de praat met een groep marktvrouwen en daar sloeg het paard van op hol. En hij mietert zo van de bok en breekt zijn nek. Dat was het einde van oom Kobus. Daarom zeg ik, iemand als Kobus kon met iedereen, man of vrouw, hoog of laag, overweg, maar ik kan dat niet.’

‘Tja’, zei ik. ‘Maar nu dat Rode Paard.’

De man gebaarde weer in dezelfde richting.

‘De weg volgen tot waar een boerenkar in de sloot ligt. Zou Bertus van de week nog weghalen. Enfin, daar slaat u linksaf en loopt u alsmaar door en dan komt u er vanzelf. Zeg maar dat ome Cor u gestuurd heeft.’

Het Rode Paard bleek nog een dik uur lopen te zijn maar ik werd er met open armen ontvangen. Nog voor ik iets besteld had, kreeg ik een grote kom erwtensoep voor mijn neus met een paar sneden roggenbrood. Hannelore heette ze en ze runde de zaak in haar eentje. Mooie naam. Mooie vrouw ook. En ze had een prima bed voor de gasten dat breed genoeg was voor twee. Wel zo gezellig na een urenlange tocht. Ik ben er de rest van de week gebleven. Moest natuurlijk ook vanwege dat lage water.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008, De Muze, 2015 en Vage klachten, 2019) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014), in 2017 gevolgd door de novelle Angelie en in 2024 door de roman De Inkwartiering (over de asielzoekersproblematiek). In 2019 verscheen (digitaal) het boek Arnhem Mondiaal over veertig jaar samenwerkende Arnhemse vredes- en ontwikkelingsorganisaties.

Eén gedachte over “Laag water”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *