Pompoenen en kalebassen

Het was allemaal heel eenvoudig, had ze me bezworen. Ik hoefde maar op drie dingen te letten: de grootte, de kleur en de manier waarop de vruchten waren gepresenteerd. Was dat met zorg gedaan of was het een rommeltje in de kraam, daar ging het om.

Op een voorbedrukte lijst die ik mee zou krijgen hoefde ik per adres maar een plusje, een minnetje of een vraagtekentje te plaatsen. Een fluitje van een cent, meneer. Dat vraagtekentje moest ik invullen wanneer de presentatie het midden hield tussen een voldoende en een onvoldoende. Een vijfeneenhalf zogezegd of een zes min zo ik wilde. Net als vroeger op je rapport. Natuurlijk niet op uw rapport, haastte ze zich te zeggen, u haalde natuurlijk alleen maar negens en tienen zoals u nog steeds een man bent met goede cijfers. Dat laatste had ze er met een enigszins zwoele stem aan toegevoegd en voor ik het wist had ik toegestemd in haar verzoek om jurylid te zijn. In naïviteit doe ik na al die jaren nog steeds niet onder voor welke doorsnee man dan ook.

Op een vroege zaterdagmorgen stapte ik dus op de fiets en peddelde ik naar het eerste adres op de lijst. De verkoop bleek plaats te vinden in een tent zo groot als een huis en te midden van een tiental tafels stond de eigenaresse. Met haar voluptueuze boezem leek ze geschapen voor dit pompoenenwerk en met uitgestrekte armen kwam ze op me toelopen.

‘Meneer Vermeulen, wat fijn dat u er bent! Komt u verder! Ik was al van uw komst op de hoogte gebracht en ofschoon ik u als jurylid niet mocht beïnvloeden, zo werd mij op het hart gedrukt, mocht ik u wel iets te drinken aanbieden. Dus wat zal het zijn? Een kop koffie of liever thee of prefereert u een sapje? Zegt u het maar en noem mij vooral Josien want zo heet ik. O ja, het mag natuurlijk ook een biertje zijn of een wijntje.’

Ze liep voor me uit naar buiten en zag daar mijn fiets staan.

‘O, u bent op de fiets, zie ik! En dat met die schrale wind! U zult wel door en door koud zijn! Weet u wat? Ik heb nog een lekker vlierbessenjenevertje onder de kurk. Komt u maar mee de keuken in, daar kunt u wat opwarmen. Tjonge, tjonge, helemaal op de fiets, zeg!’

Ze ging me voor het huis in en mij een plaats wijzend aan de keukentafel nam ze een fles van het aanrecht en voor ik het goed en wel in de gaten had stond er een jeneverglaasje voor me dat tot de rand gevuld was met een sterk geurend stroperig goedje.

‘Zo’, zei ze. ‘En nu moet u dat glaasje in één teug leegdrinken want dat hoort zo in deze streek.’

Ik wilde me niet laten kennen, ook niet als jurylid, en ik dronk het glaasje in één teug leeg. Het alcoholrijke vocht baande zich brandend een weg van mijn keel door mijn slokdarm naar mijn maag waar het een verwoestende werking had op mijn niet lang daarvoor genuttigde muesli-ontbijt. Terwijl ik naar adem hapte vulde mijn gastvrouw het glaasje weer tot de rand. Goedkeurend knikkend zette ze zich tegenover mij aan de keukentafel.

‘Zo, en nu moet u mij eens vertellen, meneer Vermeulen. Hoe lang doet u dit werk nu al, dat jureren bedoel ik?’

Ik legde haar uit dat ik gestrikt was door een dorpsgenote die meende, geheel ten onrechte overigens, dat ik sinds mijn pensionering niet veel om handen had en dat zij op deze vroege ochtend het eerste adres op mijn lijst was. De criteria waren tamelijk eenvoudig, lichtte ik toe, zolang de presentatie maar de toets der kritiek kon doorstaan. Ze knikte nadenkend.

‘Uw toets der kritiek bedoelt u…’

‘Ehm, ja’, zei ik. ‘Inderdaad, enige mate van subjectiviteit valt natuurlijk niet te vermijden.’

Ze knikte weer en rechtte haar rug waardoor haar borsten nog verder naar voren drongen dan ze al deden en de fles pakkend schonk ze mij opnieuw in. Ik voelde mij wat licht in het hoofd worden en het glaasje dat eerst nog pal voor me op tafel stond leek het ene moment opeens ver weg te staan om het volgende moment levensgroot voor me op te rijzen. Toen ze mijn glaasje voor de vierde keer wilde vullen hief ik afwerend mijn handen op.

‘Nee, dank u. Ik geloof dat ik nu wel genoeg van uw vlierborsten, o, pardon, wat zeg ik nou toch, van uw vlierbessen geproefd heb, bedoel ik.’

Ze glimlachte en stond op van tafel.

‘Wel,’ zei ze, ‘dan moesten we maar eens aan de slag gaan, nietwaar? U heeft per slot van rekening nog een hele lijst af te werken.’

Ik knikte en hield me bij het opstaan even aan de tafelrand vast. Met onzekere tred volgde ik haar naar buiten. In de tent tussen de tafels met tientallen, zo niet honderden pompoenen en kalebassen, sloeg ze een arm om me heen. Om zich heen wijzend somde ze een veelvoud aan Latijnse namen op die ik zo gauw niet allemaal kon onthouden en al schuifelend van tafel naar tafel raakte ik bovendien al snel het overzicht kwijt. Om haar de indruk te geven dat ik toch over enige pompoen- en kalebassenkennis beschikte, boog ik mij af en toe over de vruchten heen en betastte ze voorzichtig. Maar opeens kwam ze vlak voor me staan en drukte mij tegen haar weelderige boezem. Dichtbij mijn oor hoorde ik haar licht hijgende stem: ‘Je mag er wel wat in knijpen, hoor, maar niet te hard!’

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008, De Muze, 2015 en Vage klachten, 2019) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014), in 2017 gevolgd door de novelle Angelie en in 2024 door de roman De Inkwartiering (over de asielzoekersproblematiek). In 2019 verscheen (digitaal) het boek Arnhem Mondiaal over veertig jaar samenwerkende Arnhemse vredes- en ontwikkelingsorganisaties.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *