Aan het stadje waren door de jaren heen de verschrikkingen van de oorlog voorbijgegaan. Of het nu de Spanjaarden waren, de Fransen of de Duitsers, ze hadden allen het stadje links laten liggen. Blijkbaar was de plaats niet van strategische betekenis en was er dus ook geen reden geweest om er een garnizoen te vestigen of een luchtaanval op uit te voeren.
De bewoners waren er, zo laat zich begrijpen, maar wat blij om want ook zij kenden de verhalen over honger en ellende die oorlogen met zich meebrengen en ook zij zagen de foto’s in de kranten en de beelden op tv van plaatsen op de wereld waar de bewoners het minder goed getroffen hadden dan zij. Ze koesterden hun stadje dan ook met grote liefde, ruimden zwerfvuil op waar het lag, restaureerden geveltjes waar nodig en onderhielden het groen in de parkjes in de weet dat het hun welzijn ten goede kwam en met name ook het welzijn van de toeristen die in toenemende mate hun stadje bezochten. Want in het eeuwenlang door oorlogen geteisterde land werd een bezoek aan het van alle narigheid gespeende stadje als een weldaad ervaren. De plaatselijke detailhandel was deze voorliefde niet ontgaan en zoals het een oplettende middenstand betaamt, was men er in het stadje collectief op ingesprongen door het in het leven roepen van galerietjes en pottenbakkerijen, het organiseren van workshops bloemschikken en papier scheppen en het openen van snuisterijenwinkeltjes waarin blikken molentjes, porseleinen boertjes en boerinnetjes en koperen asbakjes met daarin gegraveerd het silhouet van het stadje, werden aangeboden. De toeristen konden er maar niet genoeg van krijgen dus de zaken liepen als een trein. Ook aan de inwendige mens werd gedacht en in de winkels waaruit voorheen bakkers, slagers en kaasverkopers hun inkomen haalden, verschenen nu koffiecafeetjes, brasserieën en pizzeria’s en dat alles in de hoop dat de weergoden het stadje goed gezind bleven want al spoedig bleek hun nering maar al te afhankelijk van mooi en zonnig weer. Zodra zich namelijk maar een wolkje voor de zon vertoonde, sprongen de friet en ijs etende toeristen massaal terug in hun auto’s en stroomde het stadje weer leeg, de exploitanten handenwringend achterlatend.
Op een zonnige zondagochtend besloot ik het stadje weer eens tot doel van een wandeling te maken. Daar was enige twijfel aan voorafgegaan want om er te komen diende ik een lange en stoffige weg te volgen door een gebied waar men zich jegens vreemdelingen aanzienlijk minder gastvrij betoonde dan in genoemd stadje het geval was. Bankjes of desnoods een muurtje waar de vermoeide passant even op kon plaatsnemen om bij te komen van de tocht, ontbraken dan ook in het geheel. Want was het immers niet de Lieve Heer in eigen persoon geweest die alle verleidingen in Zijn korte leven op aarde had getrotseerd en zich zonder verzuchting naar Zijn wrede einde op de berg Golgotha had begeven? Ledigheid is des duivels oorkussen was dan ook het algemeen aanvaarde motto in deze streek. Men diende Zijn Woord tot zich te nemen en een eenmaal ingeslagen weg zonder zich neder te zetten of enige jammerklacht te volbrengen.
Het stadje kwam al in zicht toen opeens een man vanuit het struikgewas tevoorschijn sprong. Met een wapperende zwarte cape en een verschoten halfhoge hoed op het hoofd posteerde hij zich midden op de weg en hief dreigend de hand op. Loerend vanonder de rand van zijn hoed keek hij mij aan.
‘Waarheen voert uw pad, broeder!?’
Prompt schoot mij de scene uit The Holy Grail voor de geest waarin de wachter bij de Brug des Doods Koning Arthur en zijn gevolg de weg verspert: what is your name!? What is your quest!?
Ik wees op de contouren van het stadje in de verte waarvan de kerk en de molen al boven de bomen uitstaken. Onmiddellijk trok de man een knoestige knuppel onder zijn cape vandaan en zwaaide er toornig mee boven zijn hoofd.
‘Gij ongelukkige!’ riep hij woest. ‘Gij tart het noodlot! Daarginder heerst Beëlzebub! Hij zal u weten te treffen!’
‘Kom, kom, beste man’, zei ik. ‘Zo’n vaart zal het niet lopen. Ik ken de plaats als een allervriendelijkst stadje waar de bewoners niets kwaads in de zin hebben. Ik bestel er een kop koffie en neem dan de bus weer terug naar waar ik vandaan kom.’
‘Nee, broeder!’ gilde de man. ’Alles wat daar omgaat is bedrog. Het is een poel des verderfs zeg ik u! Ga daar niet door de poort. Beëlzebub zal u straffen!’
Ik schudde mijn hoofd, liep met een boog om hem heen en vervolgde mijn weg. Achter me stierf langzaam zijn geschreeuw en getier weg.
Na een half uur bereikte ik het stadje. De gracht passerend liep ik onder de poort door de hoofdstraat in. Op hetzelfde moment kwam een bestelbus met hoge snelheid de hoek om. Ik sprong opzij en kwam ruggelings op een stenen trapje terecht dat naar de ingang van een eethuisje leidde. ‘Wees welkom!’ stond er op een bord voor de deur. Ik krabbelde overeind terwijl de wagen rammelend over de brug zijn weg vervolgde. Voorzichtig tastte ik mijn armen en benen af, alles was nog heel zo te voelen. Maar toen ik rechtop stond merkte ik dat mijn linkerenkel niet meer hetzelfde wilde als ik. Strompelend verliet ik het stadje en ging ik op weg naar de bushalte die ik een paar honderd meter verder wist. Ik was er bijna toen ik de bus door de bocht zag komen. Ik zwaaide in de hoop dat de chauffeur halt zou houden maar hij zag me niet of deed alsof. Dan maar een uur wachten, er zat niets anders op. Voor de zekerheid wierp ik nog even een blik op de dienstregeling en zag tot mijn schrik dat er vanwege de schoolvakantie nieuwe vertrektijden golden. De laatste bus van die middag had mij zojuist gepasseerd.
en het gezegde luidt: “EEN GEWAARSCHUWD MENS TELT VOOR TWEE” en dan wordt het een duur uitstapje, overnachting of taxi tel uit je winst.
Zo is het maar net, Andrea.
Maar het verhaal vertelt ons meer. Vaak worden eenlingen in onze maatschappij die ons voor naderend onheil waarschuwen, als excentriekelingen weggezet naar wie je dus niet hoeft te luisteren.
Verder spelen in het verhaal, net als in ‘Het kruis’ en in het onlangs verschenen verhaal ‘Zandwinkel’, jeugdherinneringen een rol en komt ook de enorme invloed die het streng reformatorisch gedachtegoed op dorpen en buurtschappen in onze Betuwe had – en soms nog heeft – aan de orde.
Maar leuk dat je reageerde op het verhaal, dank!