(Boekenweek 2026)
Ter gelegenheid van de Boekenweek had een cultureel café in een naburig dorp een boekenfeest georganiseerd. Gezien de gelegenheidsnaam van het evenement – Boekenbiertje – beloofde de gezelligheid er troef te zijn en dus nam ik de fiets en peddelde ik vanaf huis het landschap in.
Na een uurtje, en met maar twee keer hoeven schuilen voor een hagelbui, bereikte ik de feestlocatie. Ik was ruim op tijd maar het was er al druk.
‘Heeft u gereserveerd?’ vroeg een dame in het geel achter een geïmproviseerde toonbank.
‘Dat niet,’ antwoordde ik, ‘was dat verplicht?’
‘Nee, maar het zou wel zo verstandig zijn geweest. Kijkt u maar hoe druk het nu al is.’ Ze wees achter zich waar tientallen toastende en bier morsende mensen elkaar voor de voeten liepen. ‘Het kon al wel eens uitverkocht zijn. Maar ik zal even bellen.’
Ze nam een portofoon van een fruitkistje naast haar en drukte wat knoppen in.
‘Hoi Kees, Marga hier. Hoe staat het ermee binnen?’
Er klonk een krakerige stem die ik niet goed kon verstaan maar gelet op de toon van Kees vreesde ik het ergste.
De vrouw legde het apparaat terug op het kistje.
‘Nee, net wat ik al dacht, meneer. Het is geheel uitverkocht.’
Ik keek op mijn horloge: nog een half uur te gaan. Wat te doen?
‘Neem gezellig een biertje,’ zei de vrouw, ‘daar hoeft u niet voor te reserveren.’
Ik voelde ergernis opkomen en de lust om wat dan ook te bestellen in deze feesttent verging me prompt. De vrouw zag me fronsen en keek me meewarig aan.
‘Kwam u van ver?’
Ik noemde mijn woonplaats. Ze moest even nadenken.
‘O, dat is een flink eind weg. Met de auto, neem ik aan?’
‘Nee,’ zei ik, ‘met de fiets.’
‘Met de fiets!’ Ze schrok er zichtbaar van. ‘Maar dan toch zeker elektrisch?’
‘Nee,’ zei ik, ‘ik fiets nog ouderwets op beenkracht.’
Ze bekeek me van top tot teen terwijl ik mijn jas weer dichtknoopte en mijn muts opzette.
‘Op beenkracht’, zei ze vol ontzag, ‘Nou, dan zult u wel een paar knappe benen hebben!’
Ik draaide me om en wilde net met een korte groet het etablissement weer verlaten toen ze me terugriep.
‘Daar schiet me iets te binnen, meneer. Wat u zou kunnen doen is wachten tot 2 uur. Stel dat iemand die gereserveerd heeft niet op komt dagen, dan zou u op zijn of haar naam naar binnen kunnen, is dat niet wat?’
Ik vond het een goed idee, deed mijn jas weer uit en ging op een stapeltje fruitkisten naast de ingang zitten. Naarmate de tijd verstreek dunde de stroom bezoekers uit tot er nog slechts druppelsgewijs wat laatkomers binnenkwamen. Ergens verder weg sloeg een dorpsklok 2 uur. De vrouw bladerde door een stapel papieren en schudde toen haar hoofd.
‘Nee, meneer, het spijt me maar iedereen die gereserveerd had is ook gekomen. Het is jammer maar ik kan u niet binnenlaten.’
Ik haalde mijn schouders op. Op de een of andere manier vond ik het niet zo erg meer dat ik niet naar binnen kon. Ik trok mijn jas weer aan.
‘Wat gaat u nu doen?’ vroeg ze haar papieren bijeenrapend.
‘Ik? Ik fiets weer terug.’
‘U fietst weer terug?’
‘Ja,’ zei ik, ‘ik kan moeilijk onder uw toonbank gaan liggen.’
Ze keek me aan of ze dat nog helemaal niet zo’n slecht idee vond.
‘Tjonge, dat hele eind weer terug op de fiets. En dat alleen op spierkracht.’
Ik zette mijn muts op en stak als groet mijn hand op.
Ze zwaaide terug.
‘Jammer,’ zei ze, ‘volgende keer beter zullen we maar zeggen.’ Toen ik de deur uitliep hoorde ik haar nog mompelend tegen zichzelf zeggen: ‘Hij zal vast een paar lekkere benen hebben.’