Zandwinkel

Vlakbij het dorp waar ik ben opgegroeid ligt een buurtschap waar het geloof in Onze Lieve Heer zo sterk is dat alle meisjes die er wonen op elkaar lijken. Niet dat ze daardoor per se lelijk zijn, verre van dat zelfs, maar in hun grijze rokjes en dito bloesjes zijn ze maar moeilijk uit elkaar te houden. Bovendien zijn ze stuk voor stuk nogal bleek uitgevallen waardoor je de indruk krijgt dat ze allen een ernstige aandoening onder de leden hebben. Ze kijken je in het voorbijgaan ook niet aan maar houden hun blik strak op de horizon gericht alsof Hij daar ieder ogenblik kan opdoemen en ze niet achteraf het verwijt willen krijgen dat ze Zijn terugkeer op aarde te laat hebben opgemerkt.

Hoe ik als ongelovige in die gemeenschap verzeild ben geraakt kan ik mij na al die jaren niet precies meer herinneren. Feit is echter dat ik mij op zeker moment in het atelier van een boekbinder bevond dat in een smal achterafstraatje in die buurtschap stond. Dat atelier was grotendeels gevuld met lange tafels waarop rollen papier en vellen karton lagen. De schappen langs de muur bogen vervaarlijk door onder de vele opgetaste boeken en de doordringende geur van lijm en olie deed me die eerste keer bijna kokhalzen.

Mijn baantje – van zeer tijdelijke aard overigens want ik moest twee weken later alweer naar school – bestond uit het rondbrengen van door de man ingepakte stapels boeken. Er ging daardoor als jongen in de tienerleeftijd een wereld voor me open want ik kwam al fietsend met de boeken onder de snelbinders op erven en in boerderijen waar ik nooit eerder was geweest. En dat terwijl ons dorp in die dagen toch een bescheiden omvang had vergeleken met het uit zijn voegen gebarsten forensenoord wat het in latere jaren is geworden.

Veel leverde dat baantje niet op maar dat vond ik niet erg. Het was in die paar weken mooi weer en hele einden fietsen was ik wel gewend. Bovendien was er altijd wel een adres bij waar je iets extra’s voor de moeite kreeg: een glas limonade of een reep chocola. Voor de boekbinder was mijn inzet evenwel van levensbelang. Zelf slecht ter been en met iedere dag weer af te handelen stapels inbindwerk kwam hij aan bezorging eenvoudigweg niet zijn toe en hij zag me na die twee weken dan ook met tranen in de ogen vertrekken.

Hoe de overige bewoners van de buurtschap toentertijd over mijn aanwezigheid in hun buurtje dachten heb ik nooit kunnen doorgronden. Wanneer ik de werkplaats verliet om aan mijn zoveelste rondrit te beginnen zag ik regelmatig vitrage achter ramen die uitzicht op het atelier boden, in de plooi vallen en ongetwijfeld zal men hebben vastgesteld dat ik niet in de Heer was, want zoiets raakt ongemerkt toch snel bekend. Maar omdat op mijn gedrag niets viel aan te merken – ik groette iedereen die ik tegenkwam per slot van rekening beleefd ook al kreeg ik doorgaans slechts een droog knikje terug – moet men mij tot op zekere hoogte hebben getolereerd. Misschien ook kon men het toch wel op prijs stellen dat zo’n jong ventje de oude en manke boekbinder tot steun was.

Toen ik onlangs weer eens het dorp bezocht waar ik mijn jeugdjaren heb doorgebracht, besloot ik langs het buurtje te lopen. Misschien dat de boekbinder nog in leven was. Misschien ook zou hij zich mij als jeugdig personeelslid nog herinneren. Na enig zoeken vond ik het huis waarachter de werkplaats stond terug maar aan het eind van het pad was een hek geplaatst waaraan een fors hangslot hing. Van doorlopen was geen sprake meer. Toen ik er zo naar stond te kijken dook er opeens een rijzige man voor me op. Hij droeg een bruine corduroy werkbroek met bretels en een flanellen overhemd met leren stukken op de ellenbogen. Er steeg een penetrante geur uit zijn kleding op van vochtig behang en beschimmeld tapijt. Hij schoof zijn pet wat naar achteren om mij beter te kunnen opnemen.

‘Iets kwijt..?’

Ik wees naar het huis. ‘Ik meende dat achter dit huis de werkplaats stond van de boekbinder.’

Hij keek me argwanend aan.

‘Vanwiezijdegijd’reen?’

Ik noemde mijn achternaam. Iets in zijn hoofd begon te werken. Ik zag dat aan de frons op zijn voorhoofd die langzaam steeds dieper werd. Plotseling begon hij te knikken en er opende zich iets in zijn gezicht.

‘Was jouw vader niet bij het Rode Kruis?’

‘Klopt,’ zei ik, ‘een jaar of dertig alles bij elkaar, denk ik.’

‘En waar werkte hij?’

‘Bij de Chamotte Unie, die steenfabriek, u weet wel.’

Zijn gezicht sloot zich weer en er verscheen een lelijke trek om zijn mond.

‘De Chamotte? Dat was geen beste!’

Ik moest denken aan de verhalen die ik wel eens gehoord had over de directie van het bedrijf die in de beginjaren dertig stakingen tegen de hoge werkdruk en het lage loon brak door bussen vol arbeiders uit andere plaatsen te halen.

‘En voor wie kwam jij hier eigenlijk?’

‘Ik kwam voor de oude boekbinder.’

‘De boekbinder? Die is al jaren geleden een zandwinkeltje begonnen.’

Ik keek hem niet begrijpend aan maar dat bracht hem niet tot uitleg. Hij draaide zich zonder te groeten om en liep een zijsteegje. Op de hoek draaide hij zich nog even om.

‘Zandwinkeltje, ja! Buiten het dorp! Hij keerde zijn rug naar de Heer! Zoiets kan niet onbestraft blijven!’

Ik bleef nog even verbouwereerd staan, toen draaide ik mij om en liep het pad terug naar de straat. Bij drie, vier ramen bewoog de vitrage nog even na.

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008, De Muze, 2015 en Vage klachten, 2019) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014), in 2017 gevolgd door de novelle Angelie en in 2024 door de roman De Inkwartiering (over de asielzoekersproblematiek). In 2019 verscheen (digitaal) het boek Arnhem Mondiaal over veertig jaar samenwerkende Arnhemse vredes- en ontwikkelingsorganisaties.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *