Kijk ook op Pinterest

Follow Me on Pinterest

Zoeken

Nieuwsbrief

Abonneer u hier



Vrienden

Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner

Het Voorjaar

Het Voorjaar

Beestjes. Ze slaat met haar oude handen tegen elkaar in de lucht. Mis. Gelukkig zijn het van die trage motachtige vliegen. Nog een keer. Nog een keer. Raak. Dood. Hoe heten ze ook alweer? In ieder geval betekent het dat er ergens bedorven eetwaar ligt in de kastjes. Iets waar larven doorheen kruipen. Ze veegt haar handen af aan een stukje keukenpapier. Het heeft geen zin die vliegen dood te slaan, ze moet op zoek naar de bron. Morgen. Overmorgen. Als ze genoeg moed heeft verzameld om alle potjes van de kastjes te doorzoeken. Als ze het aankan om de rilling door haar lijf te voelen als ze die beestjes door haar rijst ziet kruipen, of door haar bloem. Over de datum. In haar eentje kan ze niet sneller eten dan het tempo waarin deze beestjes zich vermenigvuldigen. Morgen. Beestjes zoeken. Ze schrijft het op een van de kleine briefjes die naast de telefoon liggen en legt het op het aanrecht. ‘Beestjes.’

Kwart voor zeven. Het wordt al donker, maar elke dag is het een beetje langer licht. Ze schuift de gordijnen dicht, hoewel het eigenlijk nog schemert. Eerst voor, dan achter. Het fijnste moment van de dag. De nacht. Ze knipt een paar lampen aan, niet te veel, maar genoeg om nergens tegenaan te botsen.

Ze zakt op de bank en zet de tv aan. Jeugdjournaal. Dat doet haar even de tijd vergeten. Uitslagen Cito-toets, een actie tegen kinderkanker, een gestorven Nijlpaard en het weerbericht. Weer sneeuw voorspeld. ‘Voorlopig nog geen voorjaar’, zegt de vrolijke nieuwslezeres met een semi-droevige blik in de camera. Godzijdank. Dat geeft haar nog wat tijd.

Ze zet het geluid van de tv uit en staart naar de stille soap die zich dagelijks na het Jeugdjournaal voor haar ogen afspeelt. Velen verlekkeren zich aan dit geromantiseerde leed, hetzelfde leed wat ze in hun eigen leven niet aankunnen. Machtsstrijdjes, foute verliefdheden, verkeersongelukken, kinderen die van je vervreemden.
Ze staat op en trekt het gordijn iets beter dicht. Er kiert nog wat daglicht doorheen. Liever nooit meer voorjaar. Het ziet er naar uit dat ze het weer haalt. Alles doet het nog. Niets in haar lichaam wijst op het einde. Zelfs geen versleten heup. Opstaan, zitten, traplopen, fietsen het kost haar geen enkele moeite. Ongelofelijk op haar leeftijd. Ze zakt terug op de bank. Alleen maar een versleten levenswil in een gezond, oud lichaam. En elke dag is het langer licht, totdat er nachten komen waarop het nog maar een paar uur donker is. Onvoorstelbaar veel licht, urenlang, elke zomer weer. Licht dat je al vroeg wakker maakt en onrustige energie in je lijf wakker maakt tot diep in de avond. Dwingend licht.

Kwart over zeven. Nog geen bedtijd. Nog twee uur rechtop blijven. Om negen uur mag ze op z’n vroegst naar bed. Ze laat de tv stil aan staan en pakt haar stapeltje verstelwerk. Een knoop eraf, een naadje los: het geeft haar iets te doen wat de tijd doodt. Veel hiervan draagt ze nooit meer, haar hele kledingkast gaat regelmatig door haar handen. Ook die van Jan, die het zeker nooit meer zal dragen. Tot nu toe vindt ze gelukkig altijd wel iets, want zelf een zoom gaan lostornen om een alibi te hebben die weer vast te maken, wil ze niet. Ze wil zichzelf niet voor de gek hoeven houden. Maar ook die dag zal komen.
Ze pakt een broek van Jan. De grijze die hij niet vaak droeg. De zoom aan de onderkant van de linkerbroekspijp hangt een beetje los. Je ziet het niet, maar het moet wel even vastgemaakt worden.

Haar handen bewegen rustig: het juiste klosje garen zoeken, stukje draad afknippen, draad door de naald halen, knoopje maken en mooie steekjes produceren. Netjes afhechten. Afknippen. Draadje weggooien. Broek opvouwen.

De soap is overgegaan in dat letterspel wat ook elke dag op tv is. Zesletterwoorden zijn het nu. Knap wat mensen allemaal kunnen. Ze zit even met de handen in haar schoot en kijkt naar de dichte gordijnen, waar nog steeds het winterse daglicht van begin maart doorheen kiert. Het is een lange winter. ‘Gelukkig nog geen voorjaar’. Maar het komt. Nog één voorjaar. Nog één zomer. Ze zal het doen. Niet meer dan één. En dit keer wil ze er klaar voor zijn. Klaar voor de zon op haar huid, voor het licht in haar ogen. Niet dat doodvermoeide gevoel in je lichaam op die eerste voorjaarsdag, niet dat je jouw ogen moet dichtknijpen tegen het felle licht waardoor je voelt hoe intens moe je bent. Hoe stoffig. Altijd, zo lang ze zich kan herinneren, wordt ze overvallen door die eerste vreselijke voorjaarsdag. De dag waarop je genadeloos voelt dat het leven voor een groot deel aan jou voorbijgaat. Dat jij niet in staat bent het te pakken, dat de winter je heeft uitgeput en dat je geen zin hebt in de zomer. Deze keer zal zij klaar zijn voor het voorjaar, zodat ze er ook geen last van zal hebben. In dit laatste levensjaar wil ze samenvallen met alles, zodat het één keer goed zal zijn: pijnloos en vredig. Ze heeft nog een paar dagen om zich voor te bereiden: vooral: uitgerust zijn, zodat het licht geen pijn doet aan haar ogen. Maar ook: een vredig gemoed hebben, kalm en rustig, zodat het voorjaar haar hart niet zal bezwaren met herinneringen die haar droevig stemmen.
A.a..a staat er op het tv-scherm. Het duo komt er niet uit. ‘Azalea’, zegt ze hardop. De beurt gaat naar het andere team. Inderdaad: Azalea is het woord dat gezocht werd.

Ze kijkt naar de fles wijn op de kast. Elke avond mag ze van zichzelf één glas, voor het slapen gaan. Om haar hersens een beetje te verdoven, zodat de herinneringen, waar ze niets meer aan heeft, maar die haar wakker houden, op afstand blijven. Meestal worden het twee glazen. Soms drie, maar die voelt ze de volgende dag. Dan is ze de hele dag moe. Met dat naderende voorjaar moet ze minderen. Half acht geweest. Nog niet. Eigenlijk zou ze er helemaal mee moeten stoppen. Dan zou ze veel beter slapen en uitgeruster wakker worden. Half negen, besluit ze. Half negen mag ze één glas. En elke dag iets minder. Hoe kan ze ooit korte metten maken met de gedachten die haar kwellen zodra ze gaat liggen? Ze heeft haar best gedaan in dit leven, maar er zijn losse eindjes waar haar gedachten omheen blijven cirkelen, zodra ze even niet oplet. Gewoon, dingen die mis gingen en die alsmaar terug blijven komen, alsof ze het over kan doen. Zinloos.
‘Voorlopig nog geen voorjaar’, zegt ze weer hardop. Ze pakt de krant. Even iets meer lezen over het weerbericht. Morgen is er sneeuw voorspeld. Weer sneeuw. Dat is fijn, Kan ze de deur niet uit. Hoeft ze geen boodschappen te doen. Een alibi om een lange, stille dag aan haar voorbij te laten glijden. Dat zijn de fijnste dagen: niets willen, zo min mogelijk doen en zo snel mogelijk de gordijnen weer dicht. Het was een fijne, lange winter met veel sneeuw, die lang bleef liggen. Kon het maar zo blijven. In sluimerstand. Maar het voorjaar zal komen, eerst de krokussen en daarna zal alles opnieuw uitbotten, uitbundig groeien. Verpletterend bloeiende tulpenbomen. En het licht zal aan haar trekken, haar prikkelen iets te willen. Ze staat op, pakt een glas uit de grote kast en schenkt wijn in. Kwart voor acht. Ze neemt een slok en zet het naast haar op het tafeltje naast de bank.

Boven op de stapel ligt haar zwarte vestje. Er zit een klein gaatje in. Misschien van een motje. Ook beestjes. Dat gaatje moet met fijne maaswol heel netjes dichtgeweven worden. Niet samenknijpen. Dat is lelijk. Ze heeft er even geen zin in. Dit vereist toewijding, precisie, concentratie. Hebben motten ook een bron waar ze van larven uitgroeien tot motjes? Ligt er ergens iets te vergaan? Het oude vloerkleed misschien, op zolder? Jan wilde niks wegdoen en nu zit ze ermee. In haar eentje sleept ze dat ding niet makkelijk de trap af. Morgen kijken. Er staat al ‘beestjes’ op het briefje. Zouden in meer kledingstukken kleine gaatjes zitten? Dan heeft ze voorlopig genoeg te doen, dat zou mooi zijn. Is dat vloerkleed nog ergens goed voor.

Op de tv is een erg energieke presentator Nederland aan het toespreken. Gelukkig staat het geluid uit.
Ze staat weer op en kijkt door de gordijnen naar buiten naar de drukke straat voor haar huis. Auto’s rijden naar links, andere naar rechts. Wat doet iedereen toch? Is het belangrijk? Kan het leven niet eens stilstaan?

Ze sluit de gordijnen weer: trekt ze een stukje over elkaar. Goed dicht. Overdag doet zij ze open, elke ochtend om een uur of acht. Over 12 uur dus alweer. Anders komen ze langs: de hulpverleners, gewaarschuwd door de buren, die haar van haar eenzaamheid willen verlossen en haar vertellen dat ze niet meer voor zichzelf kan zorgen. Kijk maar: er vliegen allemaal beestjes rond. Mevrouw: dat is toch onhygiënisch? Er ligt hier ergens bedorven voedsel. U kunt wel een voedselvergiftiging krijgen en dan bent u er geweest. Als dat zou kunnen.

Liever houdt ze het huis de hele dag potdicht. Liever lag ze in een kist, lekker stil en aardedonker. Op haar plekje in de kelder, waar ze af en toe gaat zitten in het donker met haar ogen dicht, op momenten dat de lange dag haar te zeer kwelt, zodat de tijd even langs haar heen glijdt, daar kiert altijd wel ergens licht. Het kruipt overal doorheen.
Ze schenkt een glas wijn in. Dan worden het er toch twee vanavond. In ieder geval geen drie van maken. Ze neemt achter elkaar een paar slokken. Hoe eerder de zachte roes haar hersens uitschakelt, hoe beter. ‘Waar doet het pijn, mevrouw?’ In mijn hersenen. ‘U bedoelt hoofdpijn?’ Nee, zelfs dat heeft ze nooit. Geen rugpijn, geen hoofdpijn, geen griepje. Niets. Pijn bij het denken. Bestaat daar iets tegen, dokter?

Gezegend met een uiterst taai lichaam. Jaloers ziet ze anderen aftakelen. Hoe meer mensen aftakelen, hoe meer ze haken aan het leven. Ze genieten nog van dit en nog van dat. En zij mag niet mopperen.

Op tv huilt een vrouw. Is het van vreugde of van verdriet? Dat is onduidelijk. Ze zakt op de bank en voelt haar eigen ogen vochtig worden. Er wordt veel gehuild op tv de laatste tijd en dan huilt zij onmiddellijk mee. Met alles. Sporthelden die naar het Wilhelmus luisteren, beauty’s die uit een modellenwedstrijd worden weggestuurd, talkshows met mensen die jeugdtrauma’s uit de doeken doen: haar wangen zijn nat. Ze kan er niets aan doen. Verder huilt ze nooit.

Ze zet het geluid aan. ‘Dus Geert houdt alleen van bruin in het interieur en jij van kleur?’, hoort ze een onzichtbare presentatrice zeggen. ‘Ja’, snikt de jonge vrouw en snuit haar neus. ‘Hoe moet dat dan als jullie gaan samenwonen?’, de blonde presentatrice komt in beeld, slaat een arm om het slachtoffer heen. ‘Geen idee’, zegt deze. ‘Dan gaan wij dat eens voor jou oplossen, hoe lijkt je dat?’ ‘Heerlijk’, zegt de jonge vrouw hoopvol. Weer voelt ze die stomme tranen in haar ogen opwellen. ‘Om te beginnen gaan we Geert opzoeken op zijn werk. Onze stylist is al in zijn huis om een en ander te verwijderen.’ ‘Echt waar?’, lacht de jonge vrouw. ‘Het komt allemaal goed’, zegt de presentatrice. Ze zet het geluid weer uit. Hoeveel glazen heeft ze nou op? Eén of twee? Half negen. Dan moet ze nog een half uur voor ze naar bed mag. Nog één glas dan. Morgen ligt er toch sneeuw.

De volgende ochtend wordt ze vroeg wakker. De zon kiert door het gordijn. Ze gluurt naar buiten. Helemaal geen sneeuw. Een blauwe lucht en een felle zon. Ze blijft teleurgesteld liggen. Hoe kan het weerbericht er zo ver naast zitten? Zou vandaag dan toch de eerste lentedag zijn? Toch overvallen door het voorjaar? Ze is er helemaal niet klaar voor. Ze voelt zich moe in haar hoofd. Dat waren te veel glazen wijn gisteravond.
Even later zit ze in haar ochtendjas aan de keukentafel met haar handen om een kop koffie gevouwen. De buitentemperatuur is godzijdank erg laag. Net iets boven nul. Dit kan je geen voorjaar noemen. Het is nog niet begonnen.

Met dit licht zie je strepen en vlekken op de ramen en vette vingers op de keukenkastjes. Ook de keukenvloer is erg vuil. Overal zie je in het voorjaar genadeloos het in de winter opgehoopte vuil. Het moet weg. Die ramen moeten gedaan worden. Al lang eigenlijk. En ze moet ook naar de kapper, maar daar heeft ze echt geen zin in. Drie kwartier naar zichzelf kijken in de spiegel. Ze laat het gewoon groeien. Nooit meer naar de kapper. Ze heeft toch nog maar één jaar te leven. Voordat ze eruitziet als een oude heks maakt ze er een eind aan. Pillen sparen.

Ze staat op, pakt een emmer, haalt spiritus, een spons en een zeem uit de kelder. In haar ochtendjas klimt ze op de het keukentrapje. Op het raam zitten kleine bruine vlekjes. Spinnenpoepjes, heeft de buurvrouw ooit verteld. Zou dat zo zijn? In de hoeken van de sponningen zitten kleine harige poppen, van spinnen waarschijnlijk. Ze huivert. Nu weghalen, voorkomt dat die griezels straks in haar huis rond kriebelen.

Als de binnenkant klaar is, moet de buitenkant ook. Dat kan best in haar duster aan de achterkant. Niemand die zich daaraan stoort. In de koude lucht, in de zon poetst ze alle ramen.
Dan ook maar meteen even de keukenkastjes doen. De vermoeidheid in haar lichaam voelt ze bijna niet meer. Als ze na de kastjes nog puf heeft, dan doet ze ook nog maar de vloer. De keukenkastjes poetsen is zwaar werk, ze staat half krom en voelt haar rechterarm zwaar en moe worden van de alsmaar heen en weer gaande beweging. Maar haar lichaam krijgt alsmaar meer energie en ze poetst steeds sneller verder.
Ze wringt de doekjes uit en ziet haar eigen vage weerschijn in het glimmende keukenkastje. Een oude, maar goed uitziende vrouw. Ze veegt nog een keer over het kastje, over haar eigen weerschijn en zet de radio aan. Een opgewonden vrouwenstem vertelt dat het vermiste meisje, dat al dagen gezocht werd en met haar foto in alle kranten heeft gestaan gevonden is. Dood. Twaalf was ze. Door een misdrijf om het leven gebracht. Ogenblikkelijk zijn weer haar wangen nat. Het drupt flink naar beneden dit keer. Twaalf. Zo’n meisje. Waarom moet alle onschuld altijd vermoord worden? Waarom?

Terwijl het nat uit haar ogen blijft lopen, haalt ze een emmer en de dweilstok. In het felle zonlicht boent ze als een bezetene de granito vloer. Het water kleurt grijs. Vies, aangekoekt vuil.

Na een boterham en een kop koffie staat ze op de keukentrap en doorzoekt de kastjes. Beestjes. Is het die oude muesli? Vast. Ze daalt af en gooit het zakje waar een elastiekje omheen zit in de vuilnisbak. Aarzelt. Pakt het er weer uit. Haalt het elastiekje eraf en kijkt voorzichtig in het zakje. Ze is bang voor wat ze gaat zien: het gewriemel van wormpjes. Het geeft altijd zo’n aangenaam gevoel van walging. Niets. Ze schudt het zakje. Misschien onderin. Geen gewriemel. Ze legt het terug in de kast.

De rijst is het niet, de bloem ook niet. Een plankje hoger: het zijn de gedroogde appeltjes. Wat wilde ze daar ook alweer mee? In een of ander baksel verwerken waarschijnlijk. Met het doorzichtige plastic bakje in haar hand staat ze daar op de keukentrap. Stukjes gerimpelde, bruin-beige gekleurde appel liggen er in. Gekocht op een optimistische voorjaarsdag en vervolgens vergeten. De stukjes lijken op haar, het heeft bijna precies die kleur en structuur van haar huid. Daartussen krioelen de wormpjes.

Ze voelt geen walging. De beestjes hebben het goed. Bovenaan bij de rand van de deksel aan de binnenkant kleven de popjes. Zou daar een beetje lucht doorheen komen? Overal waar lucht is, ontstaat leven. Dit soort bakjes zouden luchtdicht afgesloten moeten zijn. Niets is helemaal lucht- of lichtdicht. Misschien in een of ander wetenschappelijk laboratorium, maar in het echte leven kiert altijd licht en lucht overal doorheen. Gefascineerd kijkt ze naar de appeltjes en de wormpjes. Hoe komen die vliegjes hier dan uit? Wonderlijk.

Ze kiept de inhoud in de vuilnisbak en verschoont de zak. Dan gaat ze in haar kamer achter glas in de zon zitten en kijkt verbaasd naar de schone ramen, de glimmende keukenkastjes en de geboende vloer.

De volgende ochtend staat ze op haar slaapkamer naar een witte wereld te kijken. Sneeuw. Zware bewolking maakt het licht grauw. Ze verwacht dat ze blij zou zijn met deze extra winterse dag. Maar haar lichaam protesteert. Ze voelt teleurstelling. Gisteren is blijkbaar het zonlicht ongemerkt onder haar huid gekropen, overal doorheen, tot in het diepst van haar spieren en oude botten. Ze wilde het niet, maar het licht heeft cellen in haar lichaam opnieuw gewekt. ‘Leven’, schreeuwen ze, ‘we willen leven!’

Ze is dus klaar voor het voorjaar, tegen wil en dank. Langzaam kruipt ze terug in bed en sluit haar ogen. Het leven gaat zijn eigen gang, je doet er niks tegen. Dan maar een dagje wachten. Het voorjaar komt.

0 Reacties

Plaats een reactie


    • >:o
    • :-[
    • :'(
    • :-(
    • :-D
    • :-*
    • :-)
    • :P
    • :\
    • 8-)
    • ;-)