Werk

Ik had mij voorgenomen om mijn driedaagse verblijf in het dorpshotel met een ontspannen ochtend af te sluiten, te beginnen met een rustig ontbijt. Dat leek te gaan lukken want de eetzaal was op dit vroege ochtenduur nog grotendeels leeg. Wel bleek het tafeltje waar een kaartje met mijn naam op stond, naast een tafeltje te staan waaraan een ouder echtpaar al zat te eten. We wensten elkaar een goedemorgen toe en terwijl ik mijzelf een kop thee inschonk, begon de man een praatje.
‘Wat denkt u, mijnheer, zou het vandaag een mooie dag worden?’

Ik wees naar buiten.
‘Het ís al een mooie dag. Kijkt u maar, geen wolkje aan de lucht!’

De man keek getroffen naar buiten alsof het hem nu pas opviel dat er een raam in de muur zat.
‘U heeft helemaal gelijk, mijnheer! Het ís al een mooie dag! Zie je dat, Hermien? Mijnheer hier zegt dat het al een mooie dag is en dat is het ook! Zie die mooie blauwe hemel eens!’

De vrouw negeerde haar man en wendde zich tot mij.
‘De omgeving is hier prachtig, vindt u ook niet? Komt u hier vaker?’

Ik had net een hap van mijn broodje genomen en beperkte me tot een instemmend knikken.
‘O, wij zijn hier voor het eerst. Bent u hier soms voor uw werk?’

Ik knikte opnieuw.
‘En mag ik vragen wat u voor werk doet?’
‘Ik schrijf’, zei ik tussen een paar happen door.
‘U schrijft, zozo! Boeken?’
‘Ja, boeken.’

Ze zweeg even. Toen trok ze het gezicht van iemand die thuis is in de materie.
‘En bent u ook al verfilmd? Net als die man van, kom, hoe heet dat boek ook alweer, bidden op een bed …’
‘Knielen op een bed violen?’
‘Juist ja, Knielen op een bed violen van die Jan eh, Jan Sieming of zoiets.’
‘U bedoelt Jan Siebelink.’
‘Inderdaad, Jan Siebelink. Die is toch ook verfilmd?’
‘Ja’, zei ik terwijl ik een lichte ergernis voelde opkomen, ‘maar ik denk niet dat je als schrijver het doel moet nastreven dat je werk verfilmd wordt.’

Nu mengde de man zich in het gesprek.
‘Maar het is werk, het hoort er allemaal bij, want…’
‘En het Boekenbal?’, viel de vrouw hem in de rede. ‘Wordt u ook gevraagd voor het Boekenbal?’

Mijn weerzin tegen dit ochtendpraatje groeide.
‘Boekenballen interesseren mij evenmin’, zei ik.
‘Maar’, zei de man weer, ‘u moet dat zien als werk, want …’
‘Er komen altijd veel BN’ers op het Boekenbal, heb ik wel eens gehoord’, kwam de vrouw er weer doorheen. ‘Bent u ook al een BN’er?’

Ik monsterde mijn bord, nog twee boterhammen te gaan.
‘U moet zo’n Boekenbal zien als werk’, zei de man. ‘Contacten opbouwen, netwerken, u weet wel.’

Zijn vrouw veegde met haar servet haar mond en handen af en stond op. Hij volgde haar voorbeeld. Bij het weggaan legde hij even zijn hand op mijn schouder.
‘Ik begrijp het best, hoor, van die film en dat bal. Maar zie het als werk. Dan komt het wel goed.’

Auteur: Ed Bruinvis

Studeerde voor tekenleraar aan de Arnhemse kunstacademie en normatieve maatschappijleer bij professor Hoefnagels (Radboud Universiteit). Is sindsdien actief in het vredes- en ontwikkelingswerk (Stichting Doca, Platform Arnhem Mondiaal en landelijk Platform tegen Wapenhandel). Publiceert behalve onderzoekswerk ook poëzie (Rivierklei, 2008 en De Muze, 2015) en verhalen (Open op zondag, 2010 en Het terras, 2014).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *